Xi en Li gaan de Chinese ‘tijgers’ nog uit de weg

China’s duizelingwekkende groei loopt ten einde. Maar de leiders van de Communistische Partij deinzen terug voor fundamentele economische hervormingen.

De dirigent van een militaire kapel tijdens een repetitie voor de opening van het Nationale Volkscongres in de Grote Hal van het Volk in Beijing deze week (links).Gedelegeerden tijdens een toespraak (rechts). Foto’s Wu Hong/EPA

Zelfs de weergoden laten zich regisseren door de almachtige Communistische Partij van China (CPC). Terwijl premier Li Keqiang in de Grote Hal van het Volk nieuwe „staalharde” maatregelen tegen de vervuiling heeft aangekondigd, kleurt de lucht boven het Plein van de Hemelse Vrede helderblauw en kunnen de 5.000 deelnemers aan het belangrijkste politieke evenement van jaar – het tiendaagse Nationale Volkscongres – even later genieten van de zon en een voor Beijingse begrippen frisse lucht.

Alsof de airpocalyps hier geen dagelijkse realiteit is wanneer in de omgeving de fabrieken op volle toeren draaien en niet, zoals nu, nog op stoom moet komen na de viering van het Chinese nieuwjaar en het Lantarenfestival. Beijing maakt, zoals zo vaak bij grote nationale en internationale evenementen, even een leefbare indruk, juist zoals de ervaren organisatoren ter wille van de beeldvorming hadden gepland.

Gezellig kletsend lopen partijbonzen uit alle regio’s, herkenbaar aan hun zwarte pakken en gitzwart geverfde kapsels, naast breed lachende generaals en admiraals – de defensie-uitgaven gaan disproportioneel omhoog – en kleurrijk aangeklede dames en heren.

Het ‘nieuwe normaal’

De drieduizend leden van het Nationale Volkscongres – het volgzame, uit partijleden bestaande parlement – en de tweeduizend leden van het Nationale Politieke Consultatieve Comité (NPCC) hebben net geluisterd naar een drie uur lange, nogal sombere speech van premier Li Keqiang over het einde van decennia van groei met dubbele cijfers. China kampt met „formidabele, structurele problemen” (vergrijzing, overproductie, schulden, dalende exporten en importen) en gevaarlijke „tijgers” (luchtvervuiling, gebrekkige innovatie) staan dreigend op de weg, zei Li. Maar vrees niet, suste hij geruststellend, het „nieuwe normaal” is goed en noodzakelijk. Het levert een betere samenleving op als iedereen de partijkoers volgt. Die hooggestemde boodschap, deze politieke spin aan de afzwakkende groei, wordt meteen verspreid.

„Als jullie van de buitenlandse media denken dat wij onze problemen niet kunnen oplossen – en dat gaan jullie schrijven – dan vergissen jullie je, zoals zo vaak. China is veel gecompliceerder en diverser dan jullie denken en wij weten wat het betekent om bitterheid te eten”, sneert Lei Jun, de schatrijke oprichter-eigenaar van mobiele telefoonmaker Xiaomi, een van de succesvolste Chinese start-ups.

Lei, normaal in een Steve Jobs-coltrui, nu strak in het pak en breed lachend voor de camera’s, is een van de 59 miljardairs die als partijlid of -adviseur deel uitmaken van het jaarlijkse politieke circus. De tijd dat hij – en de snel groeiende middenklasse – in armoede ‘bitterheid aten’ is allang voorbij en het is niet verwonderlijk dat hij vol vertrouwen is. De rode superkapitalist die het opneemt tegen giganten als Samsung en Apple, behoort tot de nieuwe, veelgeprezen generatie ondernemers waarop de partij haar hoop heeft gevestigd.

Toekomstige groei – weliswaar met lagere percentages, maar van hogere kwaliteit – moet komen van innoverende particuliere ondernemers als Lei Jun, Jack Ma (Alibaba) en Robin Li (Baidu) en hun miljoenen volgelingen, die net beginnen, luidde de boodschap van premier Li in zijn ‘werkrapport’, een soort troonrede als in Nederland, maar dan gedetailleerder en langer.

Met president Xi Jinping aan zijn zijde kondigde de gepromoveerde econoom Li tal van maatregelen aan om de economie – een alles dominerende politieke hoofdzaak in China – verder en sneller te hervormen en te liberaliseren. De volksvertegenwoordigers in naam – zij keuren doorgaans de plannen van de leiding met 95 procent en soms wel met 99,3 procent goed – werden overspoeld met plannen, wetsontwerpen en goede voornemens om de luchtvervuiling aan te pakken, midden- en kleinbedrijven te helpen en armen en gepensioneerden te steunen.

Meer markt in communistisch China betekent echter nog allerminst minder staat, laat staan minder CPC, die het geraamte van de overheid vormt. Sterker nog, het versterken van de partij is door president en partijleider Xi Jinping bestempeld als even belangrijk als de hervorming van de economie. En dat verklaart waarom ook de leiders van staatsbedrijven en belangengroepen gisteren eveneens tevreden uit de Grote Hal van het Volk vertrokken. Zij weten zich vooralsnog veilig.

Geen lust tot hervormingen

„Waar wij niets of heel weinig over hoorden zijn de hervormingen van staatsbedrijven en de landbouw”, zegt politicoloog Zhang Ming van de Renmin Universiteit in Beijing. „De grote staatsbedrijven die zeer inefficiënt zijn en mede de vervuiling veroorzaken worden ongemoeid gelaten, over de landhervormingen die voor nieuwe groei zouden kunnen zorgen is helemaal niets gezegd. Ik denk dat de leiders zo nerveus zijn geworden van de steeds lagere groeicijfers dat zij hun lust tot hervorming van deze staatssectoren zijn verloren”, denkt Zhang.

Dat is een mening die breed wordt gedeeld door Chinese en buitenlandse economen. Hoewel China in hoog tempo een land is geworden van particuliere ondernemers die volgens nieuwe cijfers goed zijn voor 62 procent van de Chinese economie domineren staatsbedrijven cruciale sectoren zoals de energievoorziening, het bankwezen en de telecommunicatie. Al het land is eigendom van de ‘partijstaat’, die ook de kapitaalstromen en de informatievoorziening streng controleert.

Louis Kuijs, voormalig Wereldbank-econoom in China en tegenwoordig werkzaam bij de Royal Bank of Scotland in Hongkong, denkt dat de oorzaak gezocht moet worden in politieke factoren. „Wat goed is voor de algemene economie is niet goed voor gevestigde belangen van staatsbedrijven en van de rijke provincies. Zij verzetten zich met succes tegen fiscale en economische hervormingen”, weet de Nederlandse Chinaspecialist.

Angst voor verlies van de macht

Volgens Andy Rothman van de denktank Sinologie zijn de Chinese leiders eigenlijk helemaal niet zo nerveus als sommige Chinese en buitenlandse analisten wel denken. „Een lagere groei van 7 procent is internationaal gezien nog steeds behoorlijk hoog. Volgens mij zijn de Chinese leiders wel tevreden met de gang van zaken en hebben ze niet zoveel haast. Er komt bij dat de tijd van dramatische veranderingen voorbij is.”

De Chinese historicus en partijcriticus Zhang Lifan denkt dat de partijleiders vooral geleid worden door „de angst om de macht te verliezen”. De vrees, zegt hij, dat „de situatie ontaardt in chaos en politieke instabiliteit zit in hun genen”.

Staatsbedrijven hervormen, zoals in de jaren 90, of zelfs helemaal afschaffen betekent dat miljoenen arbeiders in de oude staal-, cement- en scheepsbouwindustrieën hun werk verliezen. „Sommige van die oude, verlieslijdende industriebedrijven zijn de enige werkgever in middelgrote steden en worden daarom hoe dan ook overeind gehouden. Geld speelt geen rol. Lokale leiders weten dat hun gemeenschappen massaontslagen zonder slag of stoot niet zullen accepteren”, zegt Zhang.

„Je ziet nu al dat in sommige andere regio’s het aantal stakingen over onbetaalde lonen en afslankingen toeneemt. Voor hoog opgeleide jongeren biedt het ‘nieuwe normaal’ kansen, voor oude staalarbeiders met slechte pensioenen staat dat gelijk aan armoede”, aldus de historicus, wiens blogs op dit moment worden geblokkeerd en wiens telefoon wordt afgeluisterd.

Grote arbeidsonlusten hebben zich overigens, voor zover bekend, nog niet voorgedaan. De officiële werkloosheidscijfers (gemiddeld 4,5 procent) worden in buitenlandse onderzoeken geloofwaardig bevonden. En daarbij komt dat zelfs in verliesgevende sectoren de lonen zijn gestegen (met gemiddeld 7 procent) en dat boeren en arbeidsmigranten er jaarlijks bijna 10 procent op vooruitgaan.

Daags na de openingssessie, als de smog al weer over de stad trekt, zegt Zhang Lifan: „Eigenlijk is het spijtig dat wij in China alleen maar chronische en structurele problemen hebben en geen acute crisis zoals in Griekenland. Er is hier een echte, zware crisis nodig om grote, en ook politieke veranderingen in gang te zetten, helaas zie ik die niet opdoemen, want dat staat de partij nooit toe.”