‘Wij zijn chique marktkooplui’

Op de Armory Show, New Yorks belangrijkste kunstbeurs, doen Nederlandse galeries goede zaken.

Het werk Terence Nance (2011) van Kehinde Wiley is op de Armory te koop bij Sean Kelly Gallery. De zwarte schilder Kehinde Wiley is een van de nieuwe sterren in de kunstwereld. Gelijktijdig met de Armory heeft hij een groot overzicht in het Brooklyn Museum. foto Sean Kelly New York

Het is al vaker gezegd: in een mondiale kunstmarkt die niet lijkt te kunnen ophouden met groeien, zijn kunstbeurzen zo belangrijk geworden dat verzamelaars, curatoren, dealers en kunstcritici – als ze dat zouden willen – het hele jaar in tenten, loodsen en markthallen kunnen doorbrengen. Voor de vermoeidheid waartoe dit onder de betrokkenen leidt, bestaat zelfs een term: arts fair fatigue, oftewel kunstbeursmoeheid.

Op de Armory Show in New York, die deze week in twee enorme opslagloodsen langs de Hudson wordt gehouden, werd er op de eerste twee dagen niet minder om verkocht. Traditiegetrouw opende de beurs haar deuren op woensdag al voor de vips, de mensen van wie de organisatie vermoedt dat ze kooplustiger zijn dan het gewone publiek, dat alleen op de overige vier dagen welkom is. De vips zorgden vooral in de loods voor hedendaagse kunst – er is ook een loods voor oudere, moderne kunst – voor een regen aan verkopen. De Parijse galerie Thaddaeus Ropac verkocht een abstract doek van Liza Lou uit 2011 voor 495.000 dollar en een olieverfschilderij op hout van Jules de Balincourt voor 175.000 dollar. Een paar stands verderop verkocht de Londense Victoria Miro Gallery een exotisch landschap van Chris Ofili voor volgens directeur Glenn Scott Heron „een getal in de hoge zes cijfers”.

Tevens bleek hoe lucratief het voor een kunstenaar en zijn galerie kan zijn om gelijktijdig een tentoonstelling in een vooraanstaand museum te hebben en een stand op de Armory. Dat bewees bijvoorbeeld Kehinde Wiley, die momenteel met veertig schilderijen in het Brooklyn Museum hangt. Daarop portretteert Wiley steeds gewone zwarte Amerikanen, in hun meest alledaagse kleding, tegen een statige oud-Europese achtergrond. Op de Armory verkocht de New Yorkse galerie Sean Kelly zijn Portrait of Natasha Zamor, uit 2015, voor 125.000 dollar.

Ook Galerie Ron Mandos uit Amsterdam beleefde goede eerste dagen op de Armory. Behalve dat hij net werk had verkocht van de jonge Nederlandse kunstenaar Aldo van den Broek, verkondigde Mandos trots dat de directeur van het Metropolitan Museum of Art, Thomas Campbell, een tekening van Renie Spoelstra had gekocht – voor diens appartement op Fifth Avenue welteverstaan, niet voor het museum.

Naast schilderijen gingen ook video-installaties en nieuwemediabewerkingen rap van de hand. Zo verkocht de Amsterdamse Upstream Gallery op de openingsdag meteen de complete serie werken van Rafaël Rozendaal, rond wiens lenticular schilderijen en web based kunst haar kleine stand opgebouwd was. „De komende dagen zijn we hier alleen nog om kunst te tonen”, zei directeur Martijn Dijkstra.

In de loods voor moderne kunst, vol met werk van grote namen als Dalí, Miró, Picasso, Stella en Warhol, ging het wat minder vlot met de verkopen. „Dat is inherent aan het soort werken dat wij aanbieden en de prijs die daarbij hoort”, vertelde David Smith van de Amsterdamse Leslie Smith Gallery. Zelf was hij bijvoorbeeld „serieus in gesprek” over het beroemde schilderij Nude With Blue Hair uit 1994 van Roy Lichtenstein. „Dat kost 685.000 dollar. Over zo’n beslissing moeten mensen even nadenken.”

De duurdere werken worden derhalve vaak pas op de laatste dag verkocht. Smith zou er in één klap mee uit de kosten zijn voor deelname aan de Armory. „Die kost ons in totaal ongeveer 100.000 dollar. Eigenlijk zijn we gewoon chique marktkooplui – we verkopen geen appels en bananen, maar het werkt hetzelfde.” Hij zit er niet mee. „Kunst mag commercieel zijn. Als je maar verkoopt wat je mooi vindt.”