We zetten Dautzenberg in de spits

De dichter/presentator over zijn net verschenen bloemlezing: ‘Je moet het zien alsof we naar het B1-elftal van Ajax staan te kijken en ons afvragen wie er over een paar jaar in het eerste speelt.’

Wim Brands: ‘Opvallend zijn de vele vrouwen die naam hebben gemaakt’ Foto Andreas Terlaak

Behalve dichter, journalist en presentator is Wim Brands vanaf heden ook bloemlezer, maar dat wil niet zeggen dat de interviewer in hem zich zo maar even aan de kant laat zetten. „Stel”, zegt hij terwijl het gesprek nog maar net op gang is, „iemand vraagt je om in te schatten welke drie Nederlandse schrijvers die in de afgelopen vijftien jaar zijn gedebuteerd in 2050 nog relevant zijn. Wie zou jij kiezen?”

Brands werpt met de vraag geen verdedigingswal op voor het samen met zijn dochter Nikki samengestelde De Nederlandse literatuur van de 21ste eeuw. De nieuwe schrijvers van het nieuwe millennium. Iedereen mag het met de keuze oneens zijn en er andere favorieten op nahouden. Het is eerder dat hij er nog steeds niet van overtuigd is of hij iedereen wel aan boord van zijn bootje heeft gelaten. Hij wil geen scherprechter zijn, hij is eerder bevreesd dat hij een goede schrijver over het hoofd heeft gezien. „Aan de andere kant: Adorno zei al dat de splinter in ons oog het beste vergrootglas is.” De bloemlezing bevat maar liefst zestig schrijvers, die allemaal met een boekfragment vertegenwoordigd zijn, van nieuwelingen (Niña Weijers, Roman Helinski, Hannah van Wieringen) tot gelouterde namen als Jan van Mersbergen, Saskia De Coster en Annelies Verbeke.

Grote Drie

In het voorwoord mag Brands dan heel streng zijn nieuwe naoorlogse Grote Drie prijsgeven (Hermans en Mulisch eruit, Grunberg en Kellendonk erin), in de recente literatuur is het nog niet zo makkelijk om zo maar de mannen van de jongens te scheiden. „De meeste schrijvers moeten hun grote werk vermoedelijk nog schrijven. Je moet het zien alsof we op een regenachtige zaterdagmorgen naar het B1-elftal van Ajax staan te kijken en ons afvragen wie er over een paar jaar in het eerste speelt.” Wat de uitgeverij aanvankelijk op het boek wilde zetten (‘Wim Brands scheidt het kaf van het koren!’) liet hij dan ook snel schrappen.

Zoals we naar de B1 van Ajax kunnen kijken, zo kunnen we ook naar de Grote Zestig kijken. „Er zijn natuurlijk wel een paar overeenkomsten aan te wijzen. Ik vind het opvallend dat er nog steeds over de oer-Hollandse trek van het platteland naar de stad wordt geschreven, maar dat dit op een veel frissere manier gebeurt. Men wil niet meer zo hard afrekenen met het eigen erf. Ik ben zelf op het platteland opgegroeid en denk dus over boeken van Franca Treur en Hannah van Wieringen: dat had ik zelf wel willen schrijven.”

Op de opmerking dat Brands kennelijk maar één van de schrijvende broers Daan en Thomas Heerma van Voss een plaats in die B1 waardig acht, zegt hij: „Ik heb het werk van Daan Heerma van Voss onbevangen gelezen om tot de conclusie te komen dat zijn werkdrift ongetwijfeld enorm is maar geen werk oplevert dat zich kan meten met bijvoorbeeld de romans van Peek, Weijers of Polak.”

„Iets anders dat opvalt”, en Brands somt hardop de namen uit de inhoudsopgave op, „zijn de vele vrouwen die naam hebben gemaakt. Vroeger had je Hella Haasse, dat was het dan wel zo ongeveer, iets daarvoor Anna Blaman. Later had je Tessa de Loo. Maar nu is de vrouwelijke presentie opeens erg indrukwekkend. Ze zijn bovendien met een enorme vrijmoedigheid de literatuur ingewandeld.”

Rinus Spruit

Brands is het niet eens met de opvatting dat het de schrijvers van nu aan een wereldbeeld ontbreekt, dat ze geen inzichten à la Hermans opschrijven die de overtuigingen van de lezer op de kop zetten. „Ik ben allereerst op zoek naar stemmen. Neem nu dat fragment uit dat boek van Rinus Spruit (Een dag om aan de balk te spijkeren, red.). Dat gaat over een Zeeuwse man die als zoon van een keuterboertje bij een bank gaat werken en niet aan de vrouw kan komen. Op het eerste oog een eenvoudig verhaal. Maar wat je er als lezer bij krijgt, en Spruit zal niet eens door hebben gehad dat hij het zijn boek heeft ingeschreven, is dat hij zichzelf verafschuwt met al die wensen en verlangens omdat zijn simpele vader wél zo goed wist hoe hij moest leven. En daarmee heb je dan een boek in handen dat gaat over zaken van alle tijden, terwijl zo’n Hermansiaans ‘wereldbeeld’ misschien wel veel vluchtiger is.”

Brands zocht meer naar ‘urgentie’ dan naar engagement. „Zoals Dautzenberg dat deed in Extra tijd, waarin hij op een heel indrukwekkende wijze afscheid neemt van zijn zieke vader. Terwijl je de schrijver Dautzenberg in ander werk een gevoel van engagement ook niet kunt ontzeggen.” Als hij dan toch moet voorspellen wie er over 35 jaar in het eerste van Ajax spelen is Dautzenberg de eerste die opkomt. En vooruit: met Gustaaf Peek en Wytske Versteeg op de flanken.