We moeten de ficties ontmaskeren

De romanpersonages van J.M. Coetzee zijn voer voor psychologen. Reden voor de Britse psychotherapeut Arabella Kurtz om de romans van Coetzee en de schrijver zelf op een papieren bank te leggen.

‘Wat zijn de eigenschappen van een goed verhaal? Wanneer ik andere mensen mijn levensverhaal vertel – en belangrijker nog, wanneer ik mezelf mijn levensverhaal vertel – moet ik dan proberen er een welgevormd kunstvoorwerp van te maken [of] juist neutraal zijn, objectief.’ Dat is de openingsvraag die J.M. Coetzee (1940) stelt in zijn brief aan de psychotherapeute Arabella Kurtz (1967). De brieven die hierop volgden zijn nu samengebracht in Het goede verhaal.

Wanneer je zo’n vraag voorlegt aan een collega-schrijver, ligt het antwoord voor de hand: aandikken die handel en er een mooi verhaal van maken. Voor een psychotherapeut is dat minder evident. Immers: het verhaal van een patiënt kan ook een poging zijn om de werkelijkheid naar de hand te zetten, maar dat gebeurt minder weloverwogen, en in elk geval minder gestileerd.

De relatie tussen fictie en werkelijkheid of waarheid hield Coetzee ook al bezig toen hij in 2008 een briefwisseling met Paul Auster startte (in 2012 gebundeld als Een manier van vriendschap). Hierin kwam uiteindelijk een worstelende Coetzee naar voren die zich onder meer afvroeg hoe werkelijkheid zich verhield tot fictie en vooral wat de tand des tijds met zijn werk zou doen.

Het zal geen toeval zijn dat in 2008 ook de briefwisseling met Kurtz startte. Hier was niet vriendschap de basis, maar Kurtz’ bewondering voor Coetzees werk. En herkenning wellicht, want er komt nu eenmaal geen normaal mens in voor. Bij Coetzee worden ‘innerlijke processen belicht vanuit een standpunt dat radicaal verschilt van het psychologische’.

Afkeer

Dat het werk van Coetzee nu belicht wordt vanuit psychoanalytische hoek is tegelijkertijd verbazingwekkend voor wie het interview nog helder voor ogen heeft dat Wim Kayzer hem afnam voor de tv-serie Van de schoonheid en de troost. Kayzer spaarde hem noch zichzelf bij de montage: het minutenlange (tenminste, zo voelde het) zwijgen en onaangenaam getroffen in de camera kijken wanneer Kayzer wilde weten wat er nou door Coetzee heen ging als hij naar Bach luisterde. Troost, tranen, ontroering? Het idee dat personages iets met het leven te maken zouden kunnen hebben? Coetzee keek erbij alsof Kayzer hem had gevraagd een broodje poep te eten.

Aan Kurtz vindt Coetzee het daarentegen geen probleem om over bijvoorbeeld zijn ervaring met Bach te schrijven. Zo vertelt hij over de extase waarin hij belandt wanneer hij op de radio de Goldberg variaties hoort. Wanneer hij een onderdrukte kuch hoort tijdens het spel beseft hij dat hij deelgenoot is van een ‘groepsbeleving’ en dat terwijl Coetzee het niet zo van groepen moet hebben. Met Kurtz discussieert hij in enkele brieven over de psychologie van de massa, waarbij Kurtz concludeert dat zijn afkeer voortkomt uit zijn opgroeien in Zuid-Afrika tijdens de apartheid waardoor hij ‘zelf getuige is geweest van de gevolgen van grootschalige onderdrukking van groepen’.

Het is niet het enige onderwerp waarover ze van mening verschillen. Zo is Kurtz van de school die meent dat de mens constant en meestal onbewust bezig is verhalen te construeren, in een poging samenhang te creëren en zin te geven aan de talloze onbegrijpelijke dingen die het leven voorschotelt. Het idee dat de dingen die je overkomen zinloos en toevallig zijn, is onverdraaglijk: het verhaal creëert het zinvolle verband.

Zowel de patiënt als de schrijver creëert fictie wanneer hij of zij nadenkt over het leven, de schrijver en de psychotherapeut realiseren dat maar al te goed. Met zijn fictie ondergraaft Coetzee echter de samenhang in het leven van zijn personages, en daarmee van de lezer, waardoor zijn romans vaak ‘verontrustend’ worden genoemd. Waar de psychotherapeut de brokken van een mensenleven probeert te lijmen, gooit Coetzee de boel moedwillig in scherven. Waar Kurtz haar patiënten aanmoedigt om fictie te maken van hun leven, legt Coetzee uit dat alles wat je aan geruststelling kunt bedenken, een loos en toevallig verzinsel is: ‘De verhalen die we over onszelf vertellen zijn misschien niet waar, maar ze zijn het enige wat we hebben.’

Dat klinkt als een spannende confrontatie, maar dat is het helaas lang niet altijd. Een zekere ijdelheid is de gesprekspartners niet vreemd en de terminologie vliegt je, zeker in het begin, om de oren, alsof we een crash course in psychoanalyse nodig hadden en – storender nog – Kurtz en Coetzee eerst aan elkaar willen bewijzen dat ze niet van de straat zijn.

Maar als je aan die als eruditie vermomde opschepperij gewend bent, valt er veel te genieten. De passages over de verschillende interpretatie van groepsverbanden zijn interessant en de twee wisselen mooie passages uit over personages en hun waarheidsgelding. Zo vindt Coetzee Flaubert boeiend, die een uiterst lage dunk had van de werkelijkheid terwijl hij vaak als aartsrealist wordt gezien. En schrijft hij over Don Quichot: ‘Datgene wat hij verzint kan interessanter zijn dan de werkelijkheid, en we zijn misschien beter in staat mensen als Quichot weer geestelijk gezond te maken als we een tijdje meegaan in hun verhalen, doen alsof we geloven dat ze waar zijn, zoals Sancho (die dol is op Quichot) doet. Desondanks zou ik me ertegen verzetten als Quichots verhaal over de reus als wat voor waarheid dan ook werd aangemerkt.’

Ook het gesprek over W.G. Sebalds Austerlitz is mooi. In deze roman wordt een joods jongetje voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op transport naar Tsjechoslowakije gestuurd, maar daarna groeit hij op in Wales, onder een andere naam. De identiteitscrisis die het gevolg is van die jeugd uit zich in verdringing, geheugenverlies, kortom: voer voor zowel de analyticus die indirect probeert te achterhalen wat er gebeurd is, als voor de schrijver die er een samenhangende versie van wil maken. Als de patiënt/personage, zelf niet in staat is om fictie te maken van het eigen leven, staan zowel Kurtz als Coetzee te trappelen om dat wel te doen.

Flexibeler

Het contrast tussen schrijver en psychotherapeut komt dan fraai aan de oppervlakte: Kurtz accepteert dat er losse eindjes zullen zijn. Ze is niet bezig met kunst of schoonheid maar met mensen: ‘Ik werk op basis van een subjectieve en intersubjectieve waarheid, een waarheid die getrouw is aan ervaring, waar het volgens mij om draait als men een patiënt die lijdt probeert te helpen.’ Coetzee is natuurlijk niet bezig met het helpen van mensen. Hij wil in zijn romans iets bereiken wat het bevattingsvermogen te boven gaat (in Kurtz’ woorden: ‘een objectieve of onkenbare waarheid’).

Het is op het eerste gezicht verrassend dat deze tegenstelling lijkt te suggereren dat de therapeut flexibeler tegenover de werkelijkheid staat dan de schrijver, maar bij nader inzien klopt het wel: de therapeut heeft te maken met de ervaring van een mens; de schrijver kan zijn personages vertimmeren tot het gewenste beeld over het voetlicht komt.

Het is een fraai en verhelderend onderscheid, waarbij het jammer is dat de vorm wat kunstmatig overkomt: de ene ‘spreker’ is soms paginalang aan het woord, waarna de ander reageert met een quasi-spontaan ‘wat interessant!’ Tegelijkertijd leidt die bestudering er wel toe dat Coetzee tot een mooie slotsom van literatuur komt: ‘Het is moeilijk, misschien wel onmogelijk, een roman te maken die herkenbaar uit het leven is gegrepen van iemand die van begin tot eind comfortabel door ficties wordt gesteund. We kunnen alleen een roman maken door die ficties te ontmaskeren.’

De dagboekuitwisseling tussen Coetzee en Paul Auster was vanuit literair oogpunt geslaagder, maar inhoudelijk misschien minder verrassend. Dat Kurtz erin geslaagd is Coetzee pagina’s lang te laten filosoferen over literatuur, troost, schoonheid en de menselijke psyche, is een prestatie. En ja, Coetzee’s bijdragen aan deze dialoog zijn minstens zo bestudeerd en strategisch als het zwijgen voor Kayzers camera. Alleen is de montage hier minder funest.