Van de Stadsschouwburg resteerde slechts een ruïne

Het Stadsarchief Amsterdam beheert ruim 30.000 tekeningen en prenten van Amsterdam. Van eeuwenoud tot heel recent. In NRC telkens een werk uit deze schatkamer.

De brand van de Stadsschouburg in de vroege ochtend van 20 februari 1890. J.M.A. Rieke, pen in zwart penseel, in kleur, 273 x 351 cm

In de vroege ochtend van 20 februari 1890 ging het nieuws razendsnel door de stad: de Stadsschouwburg brandt! Kort voor zes uur was het vuur ontdekt en al snel sloegen de vlammen uit het gebouw. De brandweer kon weinig meer uitrichten. De zuidwestenwind joeg een vonkenregen over de omgeving en door de enorme hitte sprongen de ramen van de huizen aan de Marnixstraat. Spoedig vatte ook de kroonlijst van het American Hotel vlam. Hier kon de brandweer nog tijdig ingrijpen, maar verder restte haar weinig dan de schouwburg gecontroleerd te laten uitbranden. Tegen acht uur hadden zich duizenden Amsterdammers op het Leidseplein verzameld, waaronder burgemeester G. van Tienhoven, die machteloos toekeken naar het ingestorte dak, de gesmolten zinken goten en de beelden van Bart van Hove, die langzaam tot leven leken te komen voordat ze achterover stortten in de vuurzee.

Het Algemeen Handelsblad putte zich uit in lyrische beschrijvingen van de ramp en zag steeds van kleur verschietende vlammen „als kleine goudstroompjes uitmondende in een oranjerood vlammenmeer” dat werd „omgeven door een warrelkringenden sluier van bruinen rook, om het vuur fladderend”. Met de verslaggever stond de menigte gehypnotiseerd naar het spektakel te kijken, en zo zijn ze getekend door J.M.A. Rieke. De vlammen slaan uit het dak en zetten de omgeving in een spookachtig licht. De gewoonte van Rieke om mensen als verstarde figuren af te beelden, alsof de tijd stilstaat, en de huizen te laten spiegelen in een roerloos watervlak, vangt precies het verlammende drama.

De schouwburg was een houten constructie uit 1772 – een periode dat de stad weinig geld had voor grote monumentale gebouwen. Alleen de voorgevel aan het Leidseplein was in steen uitgevoerd. De ‘houten kast’, zoals het gebouw werd genoemd, werd in 1874 verbouwd en kreeg aan alle zijden stenen gevels. Het toezicht op toneelvuur was streng. Toneeldoeken waren geschilderd met asbestverf en de gordijnen waren in een asbestoplossing gedoopt. De brandwacht liep ’s nachts om de twee uur een ronde; de fatale nacht voor het laatst om kwart over drie.

De oorzaak van de brand bleef onduidelijk. Het kurkdroge houten gebouw, met zijn inventaris van rekwisieten, kostuums, beschilderde toneeldoeken uit de 18de eeuw, omvangrijke bibliotheek en archief, was een dankbare prooi voor de vlammen. De ruïne bleef nog dagen na smeulen. Alleen een deel van het archief kon worden gered.

Van 1892 tot 1894 verrees hier een nieuwe Stadsschouwburg, naar ontwerp van J. Springer, J.B. Springer en A.L. van Gendt. Het stuk Lijnbaansgracht dat Rieke tekende, en dat zich voortzet onder de schouwburg, werd in 1914 overkluisd en veranderde in het Kleine-Gartmanplantsoen.

De nieuwe Stadsschouwburg is uitgegroeid tot één van de iconen van Amsterdam: van de legendarische huldigingen van Ajax, spraakmakende toneelstukken, tot het jaarlijkse Boekenbal, zoals dat vanavond weer plaatsvindt. Niets dan een paar oude afbeeldingen herinneren aan de verdwenen ‘houten kast’ en het door het vuur opgeslokte toneelverleden. Maar in het archief van de Stadsschouwburg, dat op het Stadsarchief bewaard wordt, zijn de resten van twee oude brievenboeken te vinden – stille getuigen van die fatale februariochtend. Eén heeft zware brandschade, de andere is voor driekwart verbrand. Wie de doos openmaakt staat oog in oog met de brand van 20 februari 1890.