Uitverkoren

Deze week ben ik stamceldonor geworden. Dat is geen heldhaftige daad. Tegenwoordig hoef je voor een donatie niet meer altijd onder narcose: de stamcellen worden uit het bloed gehaald. Wel is het origineel: in Nederland staan maar 55.000 donoren ingeschreven. Daarvan wordt slechts één op de duizend donoren daadwerkelijk opgeroepen, want een stamcelmatch is zeer zeldzaam: 1 op de 50.000 mensen vormt een gezond duo.

Laatst sprak ik met een heer van zeventig die er, wat de liefde betreft, één overtuiging op na hield: je kunt werkelijk waar met iedereen lang samenzijn, als je allebei maar voldoende je best wil doen om het leuk te hebben met elkaar.

Dat stamcellen zo kieskeurig zijn, is ongelooflijk nadelig voor patiënten, maar het klinkt wel ontzettend romantisch om zo uitverkoren te zijn en bij elkaar te passen.

Onlangs werd wereldwijd de 25 miljoenste stamceldonor geregistreerd. In Duitsland is één op de zestien mensen stamceldonor, in Nederland geeft slecht één op de 450 mensen zich op. Vandaar dat Radio 1 er deze week elke dag aandacht aan besteedde.

De zender liet horen waarom het nodig was (voor sommige leukemiepatiënten is een stamceltransplantatie de enige mogelijkheid tot genezing), wat doneren inhoudt (wangslijm om je weefseltypering te bepalen, prikjes met groeimiddel, een dag ziekenhuis voor de daadwerkelijke overdracht) en welke moeilijkheden er zijn (stamcellen discrimineren: Chinese stamcellen passen het best bij Chinezen, gemengde achtergronden zijn moeilijk te faciliteren).

Aan het woord kwamen een blije patiënt, een nonchalante donor en een immunoloog van 88 die zich nog iedere dag inzet voor vloeiende transplantaties. Een miljoen patiënten heeft hij al geholpen. Daar krijgt hij tranen van in zijn ogen. Vandaar dat ik stamceldonor werd.

Ook anticipeer ik stiekem op een wereld waarin verzekeringsmaatschappijen karma systematiseren en donoren beloond worden met een voorrangsregeling. Ik weet dat zo’n voorrangsregel weinig nobel klinkt, maar het is niet minder zelfzuchtig dan hopen op een plekje in de hemel. Zonder het hiernamaals is lang leven de enige kans op een vleugje eeuwigheid.

In die toekomstige vorm van gezondheidszorg is het lichaam niet alleen van waarde als vraagteken – pas in zicht zodra het ziek is en hulp nodig heeft –, maar draait het ook mee als uitroepteken – het biedt iets aan.

Ik ben bereid om mezelf zo’n schrikbeeld van marktgerichte zorg voor te stellen als het me hier en nu een beter mens maakt.

Het is bovendien een win-win situatie. De drempel om me als donor te registreren is laag, want de kans dat ik werkelijk stamcellen moet afstaan is, met één op duizend, vrij klein. En als ik dan toch word opgeroepen, zal ik me uitverkoren voelen.