Leve de teringzooi!

De tien jaar jongere Jules Deelder moest zich in de jaren 80 meten met een levende legende: Frans Vogel, dichter, copywriter, kunstenaar. Vogel wordt nu 80, zijn vrienden eren hem met een boek en tentoonstelling.

foto Jan Henderik

Hij is bijna 80 nu en, vooruit, de sleet zit er intussen wel een beetje in. Frans Vogel lust af en toe nog best een blowtje, maar de speed en de drank zijn allang uit zijn systeem verdwenen. De enkele borrel die hij recentelijk nog halfleeg kreeg, moest op de EHBO ook weer uit hem worden opgepompt. Jenever met medicijnen, het combineert nou eenmaal niet meer zo heel lekker in dat ouwe, fors op de proef gestelde lijf van ’m.

Voor het overige: Frans Vogel overlééft, en ‘tout’ Rotterdam zal het weten. Niks „jong begeerd, oud afgedaan”, zoals hij ooit zelf in een dichtregel op een veegwagen van de stadsreiniging voorspelde. Zondag wordt in galerie Wind op het Noordereiland zijn verjaardag gevierd met de opening van een expositie van zijn ready mades, poëzie en prozateksten. Diezelfde middag wordt dan ook Ken zó in Boymans gepresenteerd, een monografie die vrienden en liefhebbers van dat werk hebben samengesteld. Het feestvarken zal uitwendig niet overdreven stralen bij zo veel eerbetoon. Perkamentachtiger jongbejaarden dan hij vind je tenslotte nergens. Maar van binnen zal hij heus wel gloeien.

Frans Vogel is bastaard, don juan, copywriter, medium, medemens, zwerver, querulant, charlatan, fotomodel, kroegloper, blower, psycholoog, dichter, om het diens collega-dichter en stadgenoot Rien Vroegindeweij na te zeggen. In al die hoedanigheden wordt hij in zijn liber amicorum wel een keer ten tonele gevoerd, maar de nadruk ligt er nou net wat meer op een aspect dat Vroegindeweij vergeet te noemen: de objets trouvés die hij maakte. Bierviltjes, krantenfoto’s, de roodgele luciferdoosjes van Säkerhets Tändstickor, een Duitse soldatenhelm – Vogel kon ze, al dan niet onmiddellijk aan de bar, met een simpele ingreep tot kunstvoorwerp transformeren. Kon zó in Boijmans. Of, nou ja, anders was er in zijn directe omgeving altijd wel iemand die er de portemonnee voor trok.

Dat was de speelse kant van Vogel. Daarnaast had hij nog een tweede handelsmerk. Met Jules Deelder, Gerrit Lakmaaker en Cor Vaandrager droeg hij een paar decennia achtereen het junkie-romantische, rauwe smoel uit van de Rotterdamse kunstenaarsscene. De tien jaar jongere Deelder moest zich als nachtburgemeester-in-de-dop daarin meten met een ‘legende’, schrijft hij in zijn gedicht Birdlore, opgenomen in Ken zó in Boijmans. Lukte aardig. De rumoerige, vrijwel dagelijkse verschijning in kroegen van het viertal gold zeker in de jaren tachtig als een artistieke performance op zichzelf.

Met de entree van Vaandrager kwam er in meerdere opzichten werkelijk iemand van out of space het café of de jazzclub binnen. Lakmaaker maaide binnen in een mum alles en iedereen neer omdat de pepmiddelen hem opdroegen als een dolle te gaan solodansen. Deelder was al een levend standbeeld voordat het fenomeen was uitgevonden. Vogel op zijn beurt, kondigde zijn aanwezigheid steevast aan met een woest gebruld ‘Harder!’, of minstens zo vaak: ‘Néuken!’ Zijn enkellange bontjas en zijn aanvullende looks als bohémien deden de rest.

De ‘Rotterdamse Charles Bukowski’ heeft er ooit nog eens een uniek, en heel bedeesd, optreden van een dichteres uit het communistische China op Poetry International mee versjteerd. Zoals hij zijn tetter ook niet kon houden bij een ernstige praatfilm in de bioscoop. De toestanden die je ook daar dan weer van had. Wilfried de Jong zat erbij en keek ernaar: „Het zaaltje verzocht Vogel zijn mondmuilkop te houden. Dat deed Frans nooit. Toestanden. Ruzie. Slaande zijdeuren. Frans kreeg je er in het cinematografisch geluidsdecor gratis bij. Een feest. De helft van de film gemist maar wel een verhaal over Vogel rijker.” Kom daar tegenwoordig maar eens om in het Rotterdamse literaire klimaat, waarin nu keurige dames als de juist benoemde stadsdichteres Hester Knibbe, Sanneke van Hassel en Elfie Tromp de toon zetten.

„Veel mensen zijn plat. Een aantal blijkt een zijkant te hebben en enkelen zijn rondom. Frans Vogel behoort tot deze laatste driedimensionale categorie”, luidde het op de achterflap van Bye meneer Jamin, een bundeling van Vogels grafiek, brieven, reclameteksten, oneliners en gedichten uit 1988. Die typering doet ook de mens in het beest recht. Zó veel enfant terrible school er nou ook weer niet in Frans Vogel dat hij door wat bravere Rotterdammers maar lastig aan de borst kon worden gedrukt. Echt wel dat er van ’m gehouden werd en wordt. Want Frans was behalve artistiek, onvoorspelbaar en crazy-onaangepast ook gewoon oké.

Dat is de derde eigenschap die Frans Vogel in Ken zó in Boijmans wordt toegedicht. „Een lieve jongen”, schrijft Willem van Drunen van het voormalige kunstenaarscollectief Kunst & Vaarwerk in hoofdletters in het boek. Dorine de Vos, het creatieve brein van Hotel New York en Villa Augustus in Dordrecht, kent haar pappenheimer ook: „Tof, opgewekt, luidruchtig, geestig, houdt van zuipen, heeft een grote muil en een klein hartje. Leve de teringzooi!” En er zijn, verdomd als het niet waar is, vrienden en kennissen die de Rotterdamse Charles Bukowski in zijn bedaagdere jaren hebben leren kennen als... kampeerder. Heeft-ie op de een of andere manier ook overleefd, Frans Vogel.