Kunst – profiteer ervan

Het roer gaat om, als het aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) ligt. Niet langer maken we elkaar wijs dat kunst en cultuur, mits streng gemanaged en goed gemanicuurd, economische winst opleveren en legio maatschappelijke voordelen. Zo luidde de legitimatie van het cultuurbeleid de afgelopen jaren. Daarbij was de kunst zelf een soort bijvangst geworden en werd door de politiek min of meer afgerekend op dat nut, met de zware bezuinigingen als zweep.

Nu analyseert de WRR, adviesraad van de regering, in het gisteren verschenen rapport Cultuur herwaarderen dat die baaierd aan veronderstelde gunstige economische en sociale effecten van culturele voorzieningen wetenschappelijk niet te staven valt. Indirect blijkt uit het rapport dat ze, als ze wel optreden, arbitrair zijn en onbetrouwbaar – succes is onvoorspelbaar en vluchtig, het publiek grillig. Daarom wordt bepleit om „‘het culturele’ binnen het cultuurbeleid” weer tot leidraad te bevorderen.

Die absurdistische zinsnede roept op tot cultuurbeleid dat zich toelegt op zijn bestaansreden: de waarde van kunst en cultuur. Zet daar op in, zegt het rapport. En ook: draag die waarde uit. Dat laatste is inderdaad van belang. Cultuurbeleid behelst óók de uitdaging de belastingbetaler te laten profiteren van kunst en cultuur, hem te laten weten wat hij mist als hij zich ervan afkeert. Een theatervoorstelling is per definitie vluchtig, wat iets anders is dan zinloos.

Dit WRR-rapport is een belangrijk rapport. Het is munitie voor het cultuurbeleid voor de volgende subsidieperiode. Dat formuleert minister Bussemaker (Cultuur, PvdA) in aanloop naar de zomer, de Tweede Kamer buigt zich er in het najaar over. Bussemaker maakte zich steeds sterk voor de band tussen kunst en maatschappij. Die bestaat. Kunst verbindt en kan op onvermoede terreinen verschil maken. Maar verwacht geen gouden bergen. Een museum kan duizenden toeristen trekken en hoge inkomsten genereren. Zo niet dan betekent dat nog niet dat een museum slecht presteert.

Het ingewikkelde is dat in ruil voor subsidie van kunst en cultuur grootse resultaten geëist moeten worden, maar dat die resultaten net zo min hard te meten zijn als de vermoede economische en sociale effecten dat waren. In die zin herbergt het WRR-rapport het risico dat het draagvlak voor kunstsubsidies verder afneemt. Duide

lijk moet worden wat de burgers zullen missen als kunstsubsidies worden ondergraven. De kwaliteitseisen moeten steeds worden aangepast. Kunst en cultuur zijn zo levend als hun publiek. Het publiek verandert, de kunsten veranderen. Daar dient cultuurbeleid op in te springen.