Het meest irritante feest van Nederland

Vanavond is het weer zover. De rode loper met uitverkorenen. ‘Ja mensen, ik ben erbij. Ik wel.’

Vanavond is het jaarlijkse Boekenbal in de Stadsschouwburg. Daar ben je voortdurend ‘op zoek naar waar het gebeurt’. Foto Maarten Hartman

Ja hoor, daar gaan we weer. Rode loper, een felverlichte Stadsschouwburg, toeristen achter de dranghekken, tachtigduizend flitsende fototoestellen, bijna net zoveel cameraploegen, diepe decolletés, strakke pakken, de immer nonchalante tred, handje in de zak, en blijven glimlachen, altijd blijven glimlachen, naar zowel links als rechts want je wilt jezelf de volgende dag natuurlijk wel zowel in de NRC als de Volkskrant als Trouw als het AD als De Telegraaf terugzien, plus in alle regionale kranten én op de tientallen fotoverzamelingen op websites die meestal niets met boeken doen maar nu ineens allemaal wel. Zelfingenomen blikken all over the place. Ja mensen, ik ben erbij. Ik wel. Ziet u wel?

Godallemachtig, wat is het toch een ongelooflijk irritant feest.

En het meest idiote is: in werkelijkheid stelt het feest niks voor. Niks! Het cliché klopt (en ik kan het weten, want driemaal was ik er wél): eenmaal binnen ben je voortdurend ‘op zoek naar waar het gebeurt’. Want waar jij staat is het eigenlijk gewoon saai. Héél saai. Het is heet. Het is vol. Goed, er schuift eens een cameraploeg voorbij en plop!, daar schijnt weer een hel licht op een of ander bekend hoofd (vaak niet eens een Schrijver maar een nog nooit één letter op papier gezet hebbende tv-presentator, tafelheer of quizmaster); altijd leuk om te zien hoe iedereen snel zijn meest intellectuele hoofd opzet en vrouwen hun borsten naar voren steken. Maar na veertig van die schijnwerpers weet je het wel. En die Hele Bekende Schrijvers praten alleen maar met elkaar. Of met Hele Bekende Tv-Persoonlijkheden. Maar in elk geval nooit met jou.

Voorafgaand aan dit festijn, verdeeld over verschillende, allemaal exact even hete en propvolle zaaltjes, zitten de échte uitverkorenen begin van de avond al in de Grote Zaal, voor het Zaalprogramma. En ook daar mis je niks aan. Ooit was het thema van de Boekenweek ‘Muziek’. Wat het intellect van Nederland die avond kreeg voorgeschoteld was een gezellige potpourri van levensliederenkitsch die op de gemiddelde familiecamping niet zou hebben misstaan. Ik zie nog de teleurgestelde, of liever: woedende blik van Paul Witteman in de loge. Klassiek was de organisatie even vergeten.

Net zoals vaak wordt vergeten wat de ingrediënten moeten zijn voor een echt feest. Een dj die weet waarop mensen willen dansen, bijvoorbeeld. Maar op het Feest der Feesten sta je eindeloos te wachten tot je los kunt. Want op het Bal ga je lós, toch? Sex & drugs & rock-’n-roll. Als je érgens een vreemdgaande schrijver in een nisje kunt betrappen is het wel begin maart in de Stadsschouwburg. Aldus de mythe – die helaas niet vérder van de oersaaie waarheid had kunnen liggen.

Toegegeven. Iedereen die zegt niet eens naar dat hele Boekenbal te wíllen, liegt. Op Herman Koch na dan. Die mij in 2012 in een interview vol oprechte walging vertelde hoe hij dat zag: „Dat de hoofdpersoon [in Zomerhuis met zwembad] zo’n gruwelijke hekel heeft aan feestjes en recepties: daar zit ook veel van mijzelf in ja. Zo ga ik al jaren niet meer naar het Boekenbal. Dat blijft toch heel erg een Nederlands feestje – eerst een tweederangs voorstelling en een glaasje champagne en daarna mag je in de rij staan voor muntjes. Een zuinig, calvinistisch, zurig, afgeknepen feestje. Maar als schrijver kun je natuurlijk niet alles zeggen. Hoe heerlijk is het dan om mijn gevoel er middels een huisarts toch uit te kunnen gooien.”

En zo is het. Wat een snertfeest.

Ah, daar was ie weer, de jaarlijkse afwijzing in mijn mailbox. Buiten even een rondje gelopen, de teleurstelling verbijtend. Volgend jaar een nieuwe poging.