Het bal der ballen

Het was koud, donker en het regende en er was tot zijn grote irritatie inmiddels een enorme rij ontstaan voor de ingang van de Stadsschouwburg. Hier had de oude recensent helemaal geen zin in. Eigenlijk had hij sowieso geen zin meer in het bal. Hij had steeds gezegd van wel, de afgelopen dagen, tegen jaloerse collega’s op de krant. „Ja, vrijdag ga ik weer los, hoor”, en om zijn woorden kracht bij te zetten had hij er zelfs een keer een soort swingende heupbeweging bij gemaakt. Alsof hij nog zou gaan dansen. No way. Hoewel, met de mooie schrijfster die nu tien meter achter hem in de rij stond, zou hij dat wel leuk vinden. Haar boeken had hij altijd goed besproken, minstens vier ballen had hij haar gegeven, wat eigenlijk een beetje overdreven was.

De jonge debutant balde zijn vuisten toen hij de oude recensent verderop in de rij zag staan. Eén bal had hij van hem gekregen. En een hoop commentaar. Doodziek was hij ervan geweest, zeker een week lang. Hij had zelfs voor het eerst sinds jaren weer eens bij zijn moeder gehuild. Eén bal. Zijn boek – vier jaar aan gewerkt – had nog niet eens alle boekhandels van Nederland bereikt toen die vernietigende recensie in de ochtendkrant had gestaan. Bijna had hij niet durven komen vanavond, bang dat dat het enige was wat de mensen dachten als ze hem zagen: één bal. Hij had zin om die lul op zijn bek te slaan. Dat soort dingen gebeurde toch op dit roemruchte feest? Opstootjes op de dansvloer? Net als buitenechtelijke escapades in de loges? Of was dat vroeger? Hij wist het niet. Dit was zijn eerste Boekenbal. Niemand had hem ook iets over die rij verteld. Hij rilde in zijn gloednieuwe pak.

De mooie schrijfster baalde dat ze de Boekenbalmuntjes die ze over had van het vorige bal, vergeten was. Ze had ze exact een jaar geleden heel bewust op haar nachtkastje gelegd. Een jaar lang had ze elke dag even naar ze gekeken en gefantaseerd voor welke echt beroemde schrijvers ze het volgende bal drankjes zou halen en wat ze dan tegen hen zou zeggen. Nu leek het alsof ze haar woorden thuis had laten liggen.

De rij schoot langzaam op. Zouden er straks bij de ingang foto’s van haar genomen worden of zou men haar helemaal niet herkennen? Beide scenario’s stonden haar tegen. Voor de zekerheid streek ze haar haar nog eens glad. Ook zij rilde. Waarom had ze niet gewoon haar jas over haar jurk aangetrokken? Ze had alleen maar gedacht aan de dansvloer waar altijd enorm gezweet werd. Maar die rij voor de ingang, die was ze vergeten. Ze tuurde erlangs en herkende niemand. Ze zag alleen pal voor zich die ene jonge debutant. Eén bal, ze dacht er meteen aan. Arme jongen. Ze vond hem knap. Ze wilde met hem praten, maar waarover? Voor hem had ze niets ingestudeerd.

„Koud hè”, zei ze ten slotte maar. „We zijn bijna binnen”, zei hij. Ze zag hem glunderen. Er flitste een camera. Het feest kon beginnen.