Column

Griep met Geert

Aan de bar van de sauna, ergens in de Haagse periferie, trof ik gisteravond tot mijn stomme verbazing Geert Wilders aan. Hij zat, gestoken in een witte badjas waarvan de kraag ietwat koket openstond, in zijn eentje een glaasje te drinken terwijl verderop in een hoek zijn bodyguards een kaartje legden.

„U hier?” vroeg ik bijna blij verrast. Wij bevinden ons nog net niet in de intiemere fase van het tutoyeren, maar wat niet is, kan altijd komen.

„Waarom niet?” lachte hij zijn gave gebit bloot. Het viel me weer eens op hoe blank alles aan hem is: tanden, kuif, nu ook nog geaccentueerd door die badjas.

„Ik dacht dat u griep had”, zei ik.

„Ik had meer last van verkiezingskoorts”, zei hij geheimzinnig. „Ik dacht vooral: de jongens moeten maar eens laten zien wat ze zónder mij kunnen. Ik hield het kruit nog liever even droog.” Hij lachte zijn bekende smadelijke lachje. „Wel sneu voor ze dat nu iedereen zei: jammer dat Wilders er niet bij is, met hém is het toch spannender.”

„Heeft u daarom Martin Bosma niet als vervanger gestuurd?”

Zijn gezicht kreeg meteen een rode, agressieve gloed – die omslag voltrekt zich bliksemsnel bij hem. „U gaat me toch niet quoten in dat onnozele grachtengordelblaadje van u? Bosma is iemand die je klein moet houden, anders krijgt hij te veel praatjes. Hij bedenkt de betere grappen en oneliners voor mij: kopvoddentaks, minder-minder, et cetera. De rest doe ik. Bosma kán dat ook helemaal niet. Je hebt het gezien aan Brinkman: er blijft weinig van ze over als ze het alleen moeten doen. Ha! Dan redden ze het nog niet eens als rechercheur.”

Hij werd weer rustiger toen ik hem vroeg of hij nog naar het RTL-debat had gekeken. „Natuurlijk. Je moet altijd weten wat de vijand doet. U mag het best weten: ik heb genóten!”

Ik bood hem een drankje aan terwijl ik naast hem aan de bar plaatsnam. Twee witte mannen in witte badjassen, en geen allochtoon in de buurt, zó kon het gelukkig ook nog in Nederland. „Wat vond u er precies van?” vroeg ik zo gemoedelijk mogelijk.

„Weet u wat het leukste was?” glunderde hij. „Ik was er niet bij, maar toch was ik overal aanwezig. Zoals ze me allemaal ijverig rechts probeerden te passeren! Van Rutte tot Samsom, zelfs tot Pechtold. Neem meteen al die eerste stelling: „Autochtonen moeten meer rekening houden met de gevoelens van allochtonen.” Vroeger zouden Samsom en Pechtold daar blind ‘ja’ op hebben gezegd. „Meerderheden moeten altijd rekening houden met minderheden’’, zouden ze gezegd hebben. Nu kijken ze wel uit, de lafbekjes.”

„Was u ook tevreden over premier Rutte?” vroeg ik, een beetje stokerig.

„Dat is niet helemaal het woord”, zei hij. „Ik kwam niet meer bij van het lachen! Zoals Mark mij stond te kopiëren…ik vond het bijna een eer! ‘Uitgereisde jihadisten kunnen beter daar sneuvelen dan terugkeren’! Het had door Martin bedacht kunnen zijn! Als ik die dingen vroeger zei, vlogen ze me naar de keel, nu roept de premier van Nederland het zelf! Hoorde u Pechtold mummelen over berechting in Nederland? Hij geloofde het zelf niet meer!”

„U moet straks met Pechtold in debat”, hield ik hem voor.

Hij knikte. „Martin werkt al aan een paar stevige naamgrappen. Iets met pechstrook of pechvogel. Als u of uw lezers nog iets leukers te binnenschiet…”