De schrijver heeft zwart in de wondermond

Veel schrijvers zijn van gek tot knetter. Ze doen wel gewoon boodschappen, maar luisteren in hun roeshoofd intussen naar andere stemmen. Wanneer is een schrijver echt van lotje getikt? En u, lezer: geestelijk helemaal gezond?

Schrijven is een eigenaardige bezigheid. Je staat met het ene been in de werkelijkheid, met het andere in een boek of gedicht. Het komt voor dat je in je eigen ‘schepping’ woont. Het kan maanden duren, langer vaak, en levert niet zelden contactproblemen op met de buitenwereld. Het gebeurt al bij een dagelijkse boodschappenronde dat zich een vorm van paranoia voordoet – men voelt zich een roeshoofd, vreemd, bekeken.

Niet iedere auteur heeft het even sterk, maar elke schrijver kent het. Schrijven vergt een enorme concentratie. Dat is met veel dingen zo, maar het bijzondere van een roman of gedicht maken is dat je naar stemmen moet luisteren, een ander moet worden. Een schizofrene toestand: al die klinkende ikken, al die klinkende anderen, wie ben je zelf?

Ik lees in Joost Zwagermans memorabele dichtbundel Roeshoofd hemelt (2005): ‘Uur na uur dankt hij/ de waanprop in zijn brein/ onvoorstelbaar heilig is hem/ de bliksem van de disconnectie/ en wat ze buiten doen/ is en blijft je reinste blasfemie’. Mooi. Maar daar zit je met je ‘waanprop’. Hoe kom je er vanaf? Drinken? Op de literaire werkvloer wordt veel gezopen. En hoe kom je er aan?

Zweeds onderzoek zorgde in 2012 voor ophef. Men onderzocht meer dan een miljoen landgenoten. Het bleek dat in families met een historie van schizofrenie of andere geestesstoringen opvallend veel méér schrijvers voorkomen. August Strindberg zei het al in een krantenartikel in 1884: het beroep van landbouwer wordt beoefend door veel gezondere mensen.

Gogol, Poe, Arends, Biesheuvel

Waanzin en literatuur is een essentieel en onuitputtelijk onderwerp. In zijn fraaie Boekenweekessay Waanzin in de wereldliteratuur, schrijft Pieter Steinz: ‘Een korte zoekactie op internet levert binnen een paar minuten bijna honderd bekende gestoorde schrijvers op.’ Gogol, Poe, Virginia Woolf, Hans Christian Andersen, Walt Whitman, Jan Arends, J.M.A. Biesheuvel, noem ze maar op. Wat zou bij hen eerst zijn geweest? Vaders depressie, grootmoeders achtervolgingswaan? Of brengt het vak van schrijver vanzelf mee dat je lichtjes of erger van de wereld bent?

Schizofrene dichter

Misschien doet het er niet toe, maar heel veel schrijvers zijn van gek tot knetter. Er is ‘zwart in hun wondermond’, om de schizofrene dichter Arno Breekveld (1966) te citeren. Het begint al bij ‘de waarheid liegen’, zoals literatuur bedrijven wel wordt genoemd. Wanneer wordt het liegen pathologisch? Boudewijn Büch fabelde zijn halve leven bijeen, was hij wezenlijk gezond? Je kunt denken van niet, maar helemaal zeker ben je er nooit van. Er stond toch ‘fictie’ op zijn boeken?

Je moet altijd uitkijken te snel te zijn met het waanzinlabel. Het mooiste voorbeeld van rappe etikettenplakkerij is de lijvige ‘pathographie’ Genie, Irrsinn und Ruhm van Wilhelm Lange Eichbaum en Wolfram Kurth uit 1967, waarin alweer heel veel schrijvers voorkomen. De Oostenrijkse dichter Franz Grillparzer (1791-1872) – melancholicus. Fabeldichter Jean de La Fontaine (1621-1695) – neurasthenie. Ivan Toergenjev (1818-1883) – ‘stand den Pseudologia-phantastica-Typen nahe. Zuletzt Psychotisch.’ Hoe mooi (en vermakelijk) hun onderzoek ook is, het kan best een onsje minder dan deze beide pathografen doen.

Waanzin en literatuur. Wanneer is een schrijver echt van het padje af? Je zou misschien zeggen: als ook zijn tekst geen contact meer maakt met de buitenwereld. Zo bevatte in 1983 het voorbeeldige ‘Gestoorde teksten’-nummer van het literaire tijdschrift Raster werk van ene Ir. P. Kuperus, zich noemende PyQuRus. Eén zin van hem: ‘ÑetAls-we pas-zákelijk kunnen schrijven na beHEERsing van “Het-ABC” , is er ZoYkUt-ZAG een QUN(ST) nodig om je GU8und-tev8rWEEZun.’ Deze tekst is onmiskenbaar gestoord, maar weten we zeker of de schrijver dat ook is?

Aan de andere kant is van de dichter van Ik ben verheven in mijn taak. Openbaringen van Antoon Pollman (1991) bekend dat hij inrichtingspatiënt was, maar we hebben geen moeite te begrijpen wat hij wil zeggen met het vers ‘het kerstkind is/ geboren/ en is gek en/ laat hier/ stront vallen’.

Ook de Zwitserse dichter/schrijver/beeldend kunstenaar Adolf Wölfli (1864-1930) schreef op de gesloten afdeling: ‘Papagaai. Kolonne, === attentie! === Hier ziet U de vereeuwiging van de condor met ongenoemde prinses. Donderdoria! Werkelijk een reusaardig exemplaar. Spanwijdte in vliegende innformattie met de verrukkelijke, allerliefste last op zijn geweldige rug – exact 32 voet. Papagaai. Kolonne kaasjagers, === attentie! === hààlfrechts! === om! === Zingen: Allee hop.’ Heerlijk om te lezen, maar hier zijn schrijver en tekst duidelijk een grens over.

Gestoorde schrijvers. De Duitse dichter Hölderlin, de Rus Tolstoj, de Fransen Antonin Artaud en Gérard de Nerval, onze eigen Geerten Meijsing, de Duitser Karl May, overal één of meer steekjes los en aangrijpend soms hun einde.

Pieter Steinz geeft achterin zijn Boekenweekessay een aantal van zijn mooie, typisch steinziaanse lijstjes – de Duitse psychiater Lange-Eichbaum (1875-1949), schrijver van het elfdelige Genie – Irrsinn und Ruhm zou ze vast diagnosticeren als Zwangsneurose. Een hiervan somt gestoorde romanpersonages op. Kon Couperus eigenlijk over de ziekelijk nerveuze Eline Vere schrijven zonder zelf de weg kwijt te zijn?

Hoe zit het met A. Alberts en de psychoot Meneer Dalem in diens De vergaderzaal, Shakespeare en de manisch depressieve Hamlet, Bret Easton Ellis en de psychopaat Patrick Bateman? Vragen.

Intrigerend is het geval van August Strindberg. Zijn Inferno (1897) maakt deel uit van een autobiografische reeks en beschrijft een geestelijke crisis tijdens Strindbergs verblijf in Parijs een jaar eerder. Iconisch is een beeld uit die tijd: de schrijver wanhopig voorover geknakt op zijn bureau. De foto blijkt gemaakt om een mooie bos schrijvershaar te vereeuwigen: hoe diep dus was de crisis?

Sociopathie

In hetzelfde boek beschrijft Strindberg hoe hij gezin en familie terroriseert door bij zijn volle verstand zijn ‘waanzin’ op hen uit te proberen, om hun reacties te kunnen gebruiken voor zijn boek. We kunnen dat sociopathie noemen en erg aardig is het zeker niet. Een van zijn biografen aarzelt niettemin terecht hem het predicaat ‘waanzinnig’ op te plakken.

Schrijver, waanprop, werkelijkheid. Als het goed is brengt literatuur mensen aan het twijfelen. Het roept vragen op. Sommige literaire thema’s zijn daar ook uitermate geschikt voor. Hoe gek zijn schrijvers? Hoe waanzinnig hun personages? En u, lezer: geestelijk helemaal gezond?

In één geval hoeven we niet te twijfelen. Adolf Wölfli was een van de waanzinnigste literaire schrijvers die het licht zagen. Van hem is, tot slot, deze memorabele passage: ‘Alle. Aaah. Donderenelementenbliksem. Wat heeft dat te betekenen? === deze van boom tot boom lopende, als een waslijn bevestigde afsluiting?’