De biecht van een bezeten schaker

De schrijver van het Boekenweekgeschenk schreef speciaal voor Boeken een verhaal over een levensbedreigende verslaving: het schaakspel. Het gevaarlijkst is het om een partij tegen jezelf te spelen, omdat je beide ikken dan verliezen.

Foto Thinkstock

Ik ben niet veel, maar wel een schaakspeler. U zou het gerust samen met het predicaat ‘schrijver’ onder mijn naam mogen afdrukken op mijn overlijdensbericht: ‘Dimitri Verhulst, schaker.’ En dat terwijl weinigen in mijn naaste omgeving mij ooit hebben zien schaken. Ik speel het levensgevaarlijke spelletje namelijk al een hele tijd niet meer. Enerzijds omdat ik de pech, of het geluk heb, dat mijn vrienden het geduld niet hebben om enkele uren de hersenen te pijnigen over een nutteloos probleem, en anderzijds omdat ik het zoveel als mogelijk vermijd opnieuw in de val van de verslaving te trappen.

Rond mijn twintigste levensjaar, nadat ik mij dankzij te veel overwinningen onpopulair had gemaakt in café Damberd, heb ik mij een schaakcomputer aangeschaft. Een Pioneer. Het hoogste niveau bedroeg 75. Wie van dat level won, had eigenlijk Garry Kasparov gevloerd. Zo goed ben ik uiteraard nooit geweest; ik ben blijven steken op niveau 42. Een overwinning met zwart, en hierbij heeft George Orwell ongelijk gekregen, in zijn meesterwerk 1984 stellende dat ‘wit altijd wint’. De obsessie, want dat wordt het na een poos, om een schaakcomputer minstens tot remise te dwingen is dodelijk: ze houdt je uit je slaap, ze drijft je naar de fles. (Jonge spelers vandaag hebben het nog lastiger, de Rybka versie 4 is de meest geavanceerde schaakmachine waarvoor ook wereldkampioen Magnus Carlsen de duimen moet leggen.) Maar mensen horen niet tegen machines te spelen, hooguit als training.

Veel meer dan om intelligentie draait het in schaken om psychologie. Voelen hoe je de ander onder druk kan zetten, trachten te achterhalen onder welke omstandigheid hij breekt, zorgen dat hij moet kiezen tussen twee geliefde stukken, zoeken naar de offers die hij wenst te brengen. Het is geweten: schakers hebben niet per definitie een hoog IQ, maar hebben autistische neigingen, zijn uitstekende manipulators, criminelen en psychopaten in de knop. Mij verbaast het bijvoorbeeld niet dat mijn laatste vaste schaakvriend zich momenteel in de gevangenis van Lantin bevindt, tussen de heftige jongens, voor tamelijk onsmakelijke daden.

De onvergeeflijke fout die ik heb gemaakt, er rust een taboe op, is de fout die vele schakers maken en die ook het naamloze personage in Schaaknovelle van Stefan Zweig heeft gemaakt, namelijk: een partij tegen jezelf te spelen. Lieve kinderen, luister naar mijn wijze raad, en begin daar nooit aan. Wie opzettelijk de doos van de schizofrenie opent is ernstig in gevaar. Je wint niet van jezelf, je verliest niet van jezelf. Beide ikken verliezen, een andere uitslag is er niet. Meegesleept in een weken durende en onmogelijke veldslag tegen mezelf heb ik uiteindelijk, uitgeput, de strijd gestaakt. Ik besefte diep, te diep in mijn vuile psyche te zijn afgedaald en borg mijn schaakbord op.

Uit lijfsbehoud leerde Vaclav Havel, in de gevangenis en in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met deze uit Zweigs novelle, zichzelf schaken. Ik heb mij laten vertellen dat hij niet schuwde een aantal partijen tegen zichzelf te spelen, iets wat kan kloppen, in één van zijn toneelstukken komt hij daar alleszins op terug, en ik begrijp nog altijd niet hoe hij nadien geestelijk gezond en wel door het leven is kunnen gaan.

Wat mij met roken niet lukt en met schaken wel: ik doe het alleen nog bij gelegenheid. In de meeste steden die ik frequenteer weet ik waar de schaakcafés zijn en, vooral, de pleinen waar ’s zomers twee dapperen onder het toezicht van velen de grote, lompe stukken verplaatsen op een bord van enige vierkante meters.

Aan zwembaden heb ik een hekel (zowel aan de geur, het lawaai als aan de nattigheid ervan), maar naar Boedapest neem ik steeds mijn lullige zwembroek mee, omdat er daar in de openbare baden minder aan schoolslag of crawl wordt gedaan, dan aan het bedenken van een meesterzet. Ik heb geleerd mijn rol van zwijgende toeschouwer te omarmen, te genieten van andermans vrijwillige miserie. Ik hou van de gewisselde blikken van de omstaanders, die altijd slimmer lijken te zijn dan de eigenlijke spelers, en het onder elkaar, bijna telepathisch, in stilte perfect weten wanneer een belangrijk stuk al veel te lang ongedekt staat. Maar men begrijpe, als mij wordt gevraagd welk boek, waarin de waanzin van tel is, ik graag naar voren schuif, dat het dan Schaaknovelle van Stefan Zweig is. Om de niet kapot te krijgen smaakmaker die het aspect van de herkenbaarheid nog altijd voor een lezer is. Omdat het voor een groot stuk potentieel mijn eigen waanzin is.

Van de boeken die er toe deden in het leven weet je zeer nauwkeurig waar je die hebt gelezen. Schaaknovelle las ik op het vliegtuig naar Argentinië, ’s nachts, terwijl ik was omringd door slapende passagiers. En passagiers die koppig bleven proberen de slaap te vatten, iets wat ik zelf allang heb afgeleerd. Transatlantische vluchten zijn niet voor slapers. Wel voor lezers.

De novelle zelf telt zo weinig pagina’s dat ik inschatte ze te hebben uitgelezen nog voor het overschrijden van de evenaar. (Geen nood, ik had nog meer leesvoer mee). Na dit boek zou ik alles van Zweig voorradig in het Nederlands hebben gelezen; het schaakthema was de enige reden waarom ik het angstig had uitgesteld deze novelle aan mijn leespleziertjes toe te voegen. Maar kijk, ik dacht er nu klaar voor te zijn en begon er aan, tien kilometer hoog, in een ruimte die inmiddels al muffig naar de slapenden rook; hun adems, hun sokken, hun oksels.

Toen ik het boek uit had keek mijn buurman, met wie ik het eerder tijdens deze vlucht over de kwaliteiten van gegrilde kalfszwezeriken in Buenos Aires had gehad, mij vanuit zijn waardeloze hazenslaap aan. Hij wees naar mijn boek, mummelde de naam van de auteur, ik meende te denken goedkeurend, en vroeg vervolgens of ik een schaker was. Hij moet de novelle hebben gekend, want de vormgever (een uitgave van Salamander Klassiek) had zich de voorspelbaarheid ontzegd een of ander schaakstuk op het omslag te plaatsen. Euh, ja, jawel ik was een schaker. Het was het beste nieuws dat die man al in dagen had gehoord. Hij woelde ogenblikkelijk zijn handbagage om en toonde mij vervolgens met een riante glimlach (die een keerkring was op zichzelf) een minuscuul schaakbord. Een reisversie, alle spelvlakken hadden een gaatje waarin het petieterige schaakstuk kon worden geprikt, zodat turbulentie geen enkele invloed had op onze recreatieve oorlogsvoering.

We wenkten een stewardess. Hij ging voor de whisky, ik voor het Madurodamflesje beaujolais. We toosten, hij kreeg wit. En begon, met een, naar mijn mening saaie, Siciliaanse opening. Wij waren twee zieke mensen, en wij wisten het. Eén van ons twee zou verliezen, en daarna zouden we afscheid nemen, zonder dat de vernederde zich kon revancheren. Mij goed. Die man was veel te lang, bijna twee meter, de beenruimte onmenselijk klein, en hij zou zich onmogelijk ten volle kunnen concentreren op een partij die ik opzettelijk lang zou laten aanslepen. Als aandenken schonk ik hem nadien mijn exemplaar van Zweig. En ook al was het dan in het voor hem onbegrijpelijke Nederlands, het kon hem er maar aan herinneren dat hij dit kleinood dringend moest herlezen. Want de metafoor van het schaakspel had hij nog altijd niet begrepen.