Waanzin? Nee, waan van de dag

Het thema van de komende Boekenweek is waanzin. Hoe gaan we daarmee om? In plaats van om de gekken om ons heen kunnen we ons beter zorgen maken om de waan die de media ons voorhouden, constateert Coen Simon.

Anders Breivik op televisieschermen in een elektronicawinkel in de buurt van Oslo, enkele dagen na zijn aanslag in 2011. Foto DANIEL SANNUM LAUTEN/AFP

Toen ik onlangs met een volle boodschappenwagen en onze jongste zoon in het zitje, aansloot in de rij bij de kassa, stond er voor mij een vrouw over een kinderwagen gebogen. Ik kreeg het gevoel dat er iets merkwaardigs was aan de situatie. Misschien kwam het omdat de vrouw alleen een pak roze koeken op de band had gelegd.

Alles viel op zijn plek toen ze zich omdraaide. Ik keek in de vriendelijke ogen van een jonge vrouw met een verstandelijke beperking. In de kinderwagen lag een pop.

Luid begon ze tegen mijn zoontje te praten, die terugkeek maar niets zei. „Ik ben dol op kinderen”, zei ze nu tegen mij. „Ja?”, glimlachte ik een beetje krampachtig. Mijn blik viel onbedoeld weer op de pop en ik probeerde te bedenken welk toneelstuk ik zou opvoeren zodra ze over haar ‘kind’ begon. „Maar ik heb zelf geen kinderen hoor”, las ze mijn gedachten. „Dit is gewoon een pop.”

Waarom worden we vaak zo ongemakkelijk als we oog in oog staan met iemand wiens gedrag overduidelijk afwijkt van het normale? Welke vrees hebben we voor het in onze ogen irrationele? Zijn we bang voor gezichtsverlies omdat we niet weten wat we met de situatie aanmoeten? Zijn we bang voor geweld? Vrezen we de ander, of worden we in de spiegel van het abnormale onzeker over hoe normaal we zelf eigenlijk zijn? In mijn geval was ík het die zich geen raad wist, voor de vrouw waren de pop en de roze koeken de gewoonste zaken van de wereld.

Een warrige, onzekere man

En zo gaat het natuurlijk meestal: wij zijn in verwarring door het gedrag van een ander, maar we noemen de ander verward, beperkt, of zelfs autistisch, psychotisch of waanzinnig. Een patroon dat we recent in de media uitvergroot zagen, nadat Tarik Z. op 29 januari met een nepwapen het NOS-gebouw was binnengedrongen, om zaken te verkondigen „die de huidige samenleving in twijfel trekken”.

De journalistiek zette meteen vol in op een psychologische duiding. „Ik vond het een verward verhaal en dus een warrige, onzekere man”, zei forensisch psychiater Hjalmar Van Marle tegen de NOS daags na het incident. De forensisch psycholoog Ernst Ameling die ik die dagen in vrijwel alle programma’s zag langskomen, begon voorzichtig met zijn diagnose, omdat je op basis van een paar beelden geen conclusies kon trekken – „Hij heeft het uiterlijk van een kwetsbare jongeman die een beetje in de war is.” Maar het duurde niet lang voordat hij, na de bestudering van diezelfde beelden, alsnog vaststelde dat er mogelijk sprake was van een psychose en een beginnende schizofrenie. „Hij spreekt in de wij-vorm, hij is erg bezig om ergens bij te willen horen, om te laten horen wie hij is en wat hij is, en als je dat overduidelijk wilt laten horen, dan heb je daar een probleem.”

De maatschappelijke verwarring werd zelfs alleen maar groter toen de politiebond ACP op 4 februari melding maakte van een toename van het aantal verwarde mensen op straat. Door bezuiniging in de zorg zou de politie de afgelopen jaren steeds vaker hebben moeten uitrukken voor mensen met psychische problemen. Van 40.500 gevallen in 2011 tot 52.000 in 2013. In deze berichtgeving werden Tarik Z., een messentrekker in het centrum van Groningen, en de verdachte van de moord op Els Borst op een hoop gegooid. Niet alleen door de journalistiek, ook door de psychiatrie: „Ik zie hierin een trend van verwarde mensen”, aldus Van Marle. Verwarde mensen zijn er volgens hem weliswaar altijd al geweest, maar nu zijn er wel meer die „naar voren komen met agressieve acties”. Hij dacht dat het „te maken heeft met de sfeer in onze maatschappij”. „Iedereen is toch ontzet over wat er gebeurd is in Parijs.”

Ook de mediapsychiater Bram Bakker liet van zich horen. Hij benadrukte in Metro dat patiënten die paranoïde of psychotisch zijn, zich niet per se opgefokt gedragen. „De Noorse terrorist Anders Breivik ging heel rustig en koel te werk, maar is knettergek. Als je iets signaleert, moet je iets doen. Studiegenoten van Tarik Z. zeiden na zijn gijzelingsactie bij de NOS dat ze hem al drie weken niet hadden gezien en dat hij slechte studieresultaten haalde. Ik verwijt niemand iets, maar als je denkt ‘het zal wel’, dan gebeurt er ook niets.”

We zien hier (zeg ik op het gevaar af dat de wij-vorm ook de schrijver dezes pathologiseert) dat de psycholoog en de psychiater bij grote mediagebeurtenissen zich niet in de eerste plaats bekommeren om de psychiatrische patiënt, maar juist om de ‘gewone’ burger (lees: nieuwsconsument) die zich gerust normaal kan blijven voelen. We worden dan misschien door gevaarlijke gekken omringd, u bent het niet.

In de Geschiedenis van de waanzin, het proefschrift uit 1961 waardoor de Franse filosoof Michel Foucault bekend werd, ziet Foucault de zeventiende en achttiende eeuw als de periode waarin een omslag plaatsvindt in het denken over waanzin. Gekte en irrationaliteit worden vanaf nu uit de maatschappij verbannen. Samen met de criminaliteit (zwervers, boeven en zedendelinquenten) wordt de waanzin achter de gesloten deuren van een inrichting gestopt.

Denken in termen van aandoeningen

Dit is het begin van de systematische bestudering van de waanzin en, volgens Foucault, het fundament voor de maatschappelijke tegenstelling tussen het normale en abnormale, het pathologische. Het denken over de mens wordt een denken in termen van aandoeningen. Hier ziet Foucault de classificaties ontstaan die de mens hebben kunnen etiketteren als ‘homofiel’, ‘landloper’ of ‘schizofreen’. De normale mens wordt steeds verder ontleed. Zo is in het huidige handboek voor psychiatrische aandoeningen, de DSM-5, ook de nieuwe conduct disorder opgenomen, een normoverschrijdende gedragsstoornis die zich kenmerkt door „gedrag dat de rechten van anderen schendt of belangrijke maatschappelijke normen overschrijdt”.

Volgens filosoof en taalwetenschapper Wouter Kusters laat het werk van Foucault zien dat de betekenis van de waanzin sterk afhangt van de manier waarop de maatschappij ermee omgaat. Kusters werd deze week met het vuistdikke Filosofie van de waanzin genomineerd voor de Socratesbeker en tien jaar geleden won hij de prijs al met Pure waanzin, een filosofisch verslag van zijn eigen psychotische ervaring. De classificering van de waanzin en de professionalisering van de psychiatrie heeft het begrip voor het irrationele van de mens in zijn ogen niet dichterbij gebracht. „De psychiatrische zorg is niet geïnteresseerd in het verhaal van psychoten”, zei hij hierover in een interview voor Trouw.

En inderdaad, welke journalist heeft zich zonder gekkigheid afgevraagd wat Tarik Z. nu eigenlijk zeggen wilde? In plaats daarvan produceerden media en mediagenieke medici een waan van de dag die de nieuwsconsument een psychotisch verband voorhield tussen zeer uiteenlopende zaken. Een waan die op zijn manier „de huidige samenleving in twijfel trekt”.