Strenge regels maken Europa schoon

Europa was in eeuwen niet zo schoon. Maar als we duurzaam willen zijn, moet het echte werk nog beginnen.

Milieutrends van de afgelopen 5 tot 10 jaar in de EU

Het gaat goed met het Europese milieu. Grote delen van Europa zijn even schoon als voor het begin van de industriële revolutie, toen het grote vervuilen begon. En dat is vooral te danken aan de Europese samenwerking en de strenge richtlijnen die de afgelopen decennia vanuit Brussel zijn uitgevaardigd op het gebied van water, fijnstof, chemicaliën, afval, broeikasgassen en ecosystemen. Dat is de positieve boodschap van de vijfjaarlijkse evaluatie van het Europese milieuagentschap EEA, die dinsdag uitkwam.

Al in de jaren zeventig besefte Europa dat smerig water en vervuilde lucht zich niet houden aan grenzen. Milieubeleid werd daarmee een van de belangrijkste terreinen waarop wetgeving vanuit Brussel werd aangestuurd. Het leidde bijvoorbeeld tot een richtlijn over waterkwaliteit en tot een gemeenschappelijk klimaatbeleid.

Industriële vervuiling van lucht, bodem en water is gestaag verminderd. Het energieverbruik is gedaald. De waterkwaliteit is verbeterd, onder meer doordat het gebruik van fosfaten aan banden is gelegd. De lucht is schoner geworden, bijvoorbeeld door het terugdringen van de uitstoot van zwaveldioxide. De landbouw kreeg te maken met strenge normen voor mest. En in veel landen wordt afval gescheiden opgehaald.

Volgens het EEA waren de Brusselse milieuregels ook nog eens goed voor de economie, die sinds 1990 met 45 procent groeide, terwijl de broeikasgasemissies met bijna 20 procent daalden. In een opiniestuk in de Britse krant The Guardian schrijft EEA-directeur Hans Bruyninckx dat de milieuwetgeving – volgens hem de meest omvattende, meest ambitieuze en strengste ter wereld – Europa een ‘uniek economisch voordeel’ biedt, een nichemarkt waarin de Europese Unie wereldwijd leidend zou kunnen zijn. Zo stimuleren die wetten innovatie, het scheppen van banen en economische groei. In het eerste decennium van deze eeuw is de sector milieugoederen en -diensten met 50 procent gegroeid, ondanks de economische crisis. De sector heeft, schrijft Bruyninckx, sinds het begin van de crisis in 2008 heeft gezorgd voor 1,3 miljoen nieuwe banen.

Bruyninckx haalt een recent onderzoek aan van het Britse ministerie van Milieu waaruit blijkt dat ieder pond dat wordt geïnvesteerd in milieubeleid minimaal drie pond oplevert aan besparingen op het gebied van gezondheidszorg en productiviteit van ecosystemen.

Natuurlijk kost het ook geld om het milieu te beschermen – het ene bedrijf meer dan het andere. Maar omdat veel van de vereiste maatregelen vervolgens leiden tot efficiënter omgaan met grondstoffen en energie valt er ook veel te verdienen. In 2012 bedroeg de olierekening van de EU volgens het Internationaal Energieagentschap zo’n 450 miljard euro. Veel minder dan de kosten van de Griekse crisis, zei IEA-directeur Maria van der Hoeven.

Tot zover het goede nieuws uit het rapport van het milieuagentschap. Want ook al is Europa volgens het milieuagentschap een stuk schoner geworden, het echte werk moet nog beginnen. De EU heeft zich voor 2050 een ambitieus doel gesteld: zorgen voor een ‘goed leven binnen de grenzen die de planeet stelt’.

Zover is het nog lang niet. Europa gebruikt nog steeds te veel grondstoffen. De ‘voetafdruk’ (een enigszins omstreden maat waarbij grondstofgebruik is vertaald naar landoppervlak) van de Europeanen is ongeveer twee keer zo groot als het totale oppervlak van de EU. Het einde van het verlies van biodiversiteit, dat in 2020 bereikt zou moeten zijn, is nog lang niet in zicht. De reductie van broeikasgassen blijft achter bij de doelstelling tot 2030. Het agentschap bepleit daarom betere en zo nodig meer milieuwetgeving.

Dat druist in tegen de Brusselse trend. Zo werden onlangs de plannen voor een ‘circulaire economie’ (waarin bijna al het afval wordt hergebruikt) door de nieuwe Europese Commissie van tafel geveegd. Ondanks de successen is het milieu vaak een sluitpost op de Europese agenda, vindt Bruyninckx. Dat moet andersom. „We moeten de Europese agenda bezien in het licht van de toestand van het milieu.”