Rendement kunstsubsidies is cultureel rendement, meer niet

Bij het toekennen van kunstsubsidies moet de culturele waarde van kunst vooropstaan. Niet de vraag wat het maatschappelijk en economisch nut ervan is. Dat adviseert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in een rapport dat vandaag is gepresenteerd. De WRR gaat daarmee in tegen het rendementsdenken over kunst en cultuur.

De WRR stelt in zijn verkenning van het cultuurbeleid dat culturele instellingen nu worden overvraagd door allerlei maatschappelijke en economische doelen te stellen. Cultuur is dusdoende „een omstreden goed” geworden, waarvoor telkens „het nut voor de bredere samenleving” aangetoond moet worden. Zo is de heersende opvatting dat cultuurbeleid kan bijdragen aan welzijn en gezondheid, economische groei, innovatie en werkgelegenheid. Maar het effect daarop van kunst en cultuur is zelden wetenschappelijk te onderbouwen, concludeert de WRR.

Zo is het wetenschappelijk bewijs zwak dat goede culturele voorzieningen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat zorgen. Ook moet volgens de WRR het beeld genuanceerd worden dat de creatieve beroepen als economische motor functioneren. Legitimatie voor cultuursubsidies zoeken in economische en sociale doelen kan leiden tot verval van draagvlak, waarschuwt de WRR.

De cultuursector wordt geconfronteerd met een „wijziging in culturele smaakpatronen”, daar zou het beleid zich ook op moeten richten. Minister Jet Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, PvdA) richt zich op een verbinding tussen kunst, cultuur en samenleving. Ze juicht nadrukkelijk projecten toe waarin maatschappelijke organisaties, de creatieve industrie en de wetenschap elkaar treffen.

De verkenning van de WRR komt in het jaar dat het cultuurbeleid voor de volgende subsidieperiode wordt bepaald. Over een maand komt de Raad voor Cultuur met zijn advies. Nog voor de zomer maakt minister Bussemaker vervolgens haar plannen bekend. In het najaar zal de Tweede Kamer zich daarover uitspreken.