Leer jong een tweede taal, dan denk je dat honden oehoe’en

Blaffen honden ook als ze door uilen zijn opgevoed? Een cruciale vraag in onderzoek naar de gevolgen van tweetaligheid.

Essentialistische vooroordelen zijn soms juist: een hond gaat nooit oehoe’en. Foto The dog journal

Van biomedici tot psychologen; legers wetenschappers verdiepen zich in de vraag wat mensen van geboorte meekrijgen en wat ze krijgen aangeleerd. Er wordt zelfs onderzoek verricht naar de vraag waarom sommige mensen meer gewicht geven aan het aangeborene en andere aan het aangeleerde.

Het komende nummer van Developmental Science bevat de uitkomsten van zo’n onderzoek, verricht door twee ontwikkelingspsychologen aan de Canadese Concordia University. Hun uitgangspunt is: kinderen zijn ‘essentialisten’. Meer dan volwassenen denken ze dat eigenschappen en vaardigheden zijn aangeboren.

Maar wat blijkt? Kinderen die op jonge leeftijd een tweede taal leren, zo tussen hun derde en vijfde levensjaar, zullen de ervaring juist groot gewicht geven. Preciezer geformuleerd: significant vaker dan kinderen die vanaf hun geboorte twee talen leerden, of juist maar één, denken zogenoemde ‘sequential bilingual children’ dat een hond zal oehoe’en als hij door uilen is opgevoed.

Hetzelfde geldt voor schapen die onder kippen opgroeien. Die krijgen volgens deze kinderen veren. En koeien die zijn geadopteerd door varkens? Zij krijgen een krul in hun staart.

De ‘unilingual’ kinderen (en zij die vanaf geboorte tweetalig zijn) denken dat de hond blijft blaffen, het schaap zijn wol houdt en een koe een rechte staart.

Zij die lijden aan een verpolitiekte blik (zoals ikzelf), kunnen een liberaal-linkse agenda bij de wetenschappers van de Concordia University herkennen. Of in ieder geval een voorkeur voor de zogenoemde open blik, tegen het vooroordeel. De wetenschappers: „Onze ontdekking dat tweetaligheid het essentialisme vermindert, verhoogt de kans dat onderwijs in een tweede taal op jonge leeftijd is te gebruiken voor het bevorderen van een acceptatie van menselijke, sociale en fysieke diversiteit.”

Dit is een opvallende opmerking, al is het maar omdat de opvattingen die de geprezen sequential bilingual children erop na houden, simpelweg onzinnig zijn. Een hond gaat niet oehoe’en als hij bij uilen opgroeit. Schapen krijgen geen veren. Enzovoorts.

Leuk of niet, sommige ‘essentialistische vooroordelen’ zijn gewoon juist.

Benieuwd geworden hoe tweetaligheid in mijn eigen omgeving uitpakt, stel ik een vraag aan mijn driejarige dochter. Die leert sinds enkele maanden Engels, zo’n zes uur per dag. Maar dan blijkt dat een belangrijke randvoorwaarde voor een zinvol onderzoek is dat ouders hun kinderen iets over dieren hebben geleerd. Op de vraag naar de honden bij de uilen, zegt ze zelfverzekerd: „Nee, honden blijven blaffen. Want uilen maken helemaal geen geluid.”