Kunstpaus en gehaaide handelaar

In zijn hart was hij een kunstenaar, zei zakenman Hendrik Willem Mesdag. En dus ging hij schilderen. Ondertussen behield hij zijn handelsgeest. Een nieuwe studie belicht zijn cultureel ondernemerschap.

Het Panorama Nesdag, olie op doek, 1881

Dat het Panorama van Mesdag nog altijd is te bezichtigen, dankt Den Haag aan de grote welstand waarin de maker leefde, Hendrik Willem Mesdag (1831-1915). De voormalig bankier-handelaar uit Groningen, die zich in 1866 in Den Haag vestigde als kunstenaar, schilderde het 120 meter lange doek in een razend tempo, met hulp van zijn vrouw en ingehuurde collega’s, onder wie de toen 23-jarige jarige George Hendrik Breitner. Ze begonnen in maart 1881. In juli waren de 1.620 vierkante meter af.

Mesdag, die zich als kunstenaar had toegelegd op strand- en zeegezichten, werd betaald door een Belgische opdrachtgever. Die hoopte te verdienen aan de exploitatie ervan. Maar dat lukte niet, ondanks lovende kritieken. Na een teleurstellende expositie van het panorama in München, drie jaar na oplevering, besloot de exploitatiemaatschappij het doek te verkopen.

Wie het kocht? Mesdag zelf, om het doek zelf te exploiteren. Dat was verliesgevend, maar dat kon hij lijden. Vijf jaar voor zijn dood richtte Mesdag een familievennootschap op die het uitzicht vanaf het Scheveningse seinpostduin tot op de dag van vandaag beheert. En heeft veiliggesteld.

Aan het einde van deze maand markeert het museum Panorama Mesdag de laatste van een serie verbouwingen. De feestelijkheid is een van de vele gebeurtenissen uit het Mesdagjaar, georganiseerd door een waaier aan Haagse culturele instellingen ter viering van zijn honderdste sterfdag.

Een andere gebeurtenis vond gisteren plaats, de presentatie van een nieuwe studie, die vooral het cultureel ondernemerschap van Mesdag belicht. De studie laat zien hoe Mesdag zijn sterk ontwikkelde zakelijke instinct en organisatietalent inzette om een reputatie als kunstenaar, verzamelaar en mecenas te vestigen.

Erfenis

Startpunt van dat kunstenaarsleven is een erfenis uit de familie van zijn vrouw Sientje, dochter van een doopsgezinde houthandelaar en zus van Samuel van Houten, de minister die verantwoordelijk was voor de wet op kinderarbeid. Het ging om 60.000 gulden. Omgerekend naar de huidige tijd was dat zo’n 1,3 miljoen euro. Genoeg voor Mesdag om de gok te wagen en definitief voor de kunst te kiezen, met de uitdrukkelijke steun van zijn eveneens schilderende vrouw.

Na een verblijf in Brussel vestigde het echtpaar zich in Den Haag. Daar begon een zegetocht door de culturele én maatschappelijke instituten, helder in kaart gebracht door de auteurs van deze nieuwe studie. Geld bleef daarbij helpen, want bij die ene erfenis bleef het niet. Toen Mesdags vader overleed, een doopsgezinde graanhandelaar, kwam er nog eens 191.000 gulden binnen.

Bovendien belegde Mesdag verstandig, vooral in Haags vastgoed. Mentaliteitshistoricus Jan Hein Furnée heeft aan de hand van belastingaanslagen vastgesteld dat het inkomen van Mesdag tussen 1880 tot 1888 bijna verviervoudigde, tot ruim het dubbele van een ministerssalaris.

Zo leefde hij ook, met dienstboden en een lidmaatschap van Witte de With, de herensociëteit voor „de fatsoenlijke of gedistingueerde wereld”.

Natuurlijk kwam er ook een dosis geluk kijken in Mesdags spectaculaire opmars. Of schilderkunstige verdienste, het is maar hoe je het bekijkt. In 1870 bekroonde de jury van de jaarlijkse Parijse Salon zijn schilderij Branding op Noordzee, wat een ongekende erkenning was voor een Nederlandse kunstenaar. In één klap verloor Mesdag zijn status van dilettant en werd hij door zijn vakbroeders serieus genomen.

Zelf zag hij direct de waarde van de prijs. Hij zou voortaan al zijn brieven (en dat waren er nogal wat) ondertekenen met: „Mesdag – Médaille d’Or Salon 1870”. Feitelijk was dat een leugentje, een verfraaiing waarover politici vandaag de dag zouden vallen, want hij had geen gouden medaille gekregen. Hij had een prijs gekregen; daar was niets gouds aan. Maar het hielp, net als de verwijzingen, in zijn brieven, naar advies van hooggeëerd volk dat hem in zijn atelier bezocht.

Mesdag, zo maken de auteurs van deze studie duidelijk, was een kunstpaus, voorzitter van talloze commissies in kunstenland, die zijn gigantische netwerk succesvol inzette. Hij deed dit ten behoeve van zijn carrière en status, maar ook ter promotie van door hem geliefde kunst. En tevens om een grote en belangwekkende collectie op te bouwen, onder meer met werk van zijn collega’s in de Haagse school.

Belangen verstrengelen

Hij was voortdurend bezig kunst te kopen voor een voordelige prijs en de eigen kunst in waarde te laten stijgen, waarbij hij niet schroomde belangen te verstrengelen en voorkennis te gebruiken, opgedaan in zijn talloze bestuursfuncties.

Bij hun beschrijving van deze activiteiten weten de auteurs van het boek een mooie balans te vinden tussen lichte verontwaardiging over Mesdags trucs en bewondering voor zijn niet aflatende ijver en listigheid, die onder andere een topverzameling hebben opgeleverd, met tientallen meesterwerken uit, onder meer, de School van Barbizon. Het stelde het echtpaar in staat om als eerste particulieren in Nederland bij leven hun collectie onder te brengen in een eigen museum, in 1903 geschonken aan de staat.

Natuurlijk speelde Mesdags eigen werk een voorname rol in dat museum, net als zijn eigen werk belangrijk was geweest om kunst van grote Franse tijdgenoten als Daubigny, Corot, Rousseau en Dupré te kopen. Hij gebruikte het als betaalmiddel.

Tegelijk was Mesdag diplomatiek (en intelligent) genoeg om de rol van zijn eigen werk in zijn eigen museum niet te overdrijven, om ongeloofwaardigheid te voorkomen. Na opening in 1887 kreeg het museum lovende kritieken. Mesdag zou hebben verzameld met het oog van een kunstenaar, met veel aandacht voor het schetsmatige en onvoltooide.

Als er al kritiek kwam, was het op de man, meer dan op zijn werk. Wie de foto’s in deze studie ziet, begrijpt uit welke hoek de kritiek kwam. Mesdag leek in alles op de karikaturen die socialistische tekenaars als Albert Hahn van kapitalistische grootindustriëlen maakten: hoge hoed, wandelstok, donkere pak, slobkousen, een keurig bijgehouden kort baardje en een borst die hij de lucht in stak als een zelfvoldaan vorst.

Mayken Jonkman, van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, vond een mooi citaat van Jan Veth, de dichter-criticus. Refererend aan Mesdags imposante uiterlijk: „Evenzeer als hij vóór alles breed weet te schilderen, en niet behoeft te schromen het breed te laten hangen, is hij immers in alle dingen breed door het leven gegaan.”

Er was ook wel eens iets wat niet lukte. Zo bood hij begin jaren negentig van de negentiende eeuw het Stedelijk in Amsterdam een dozijn van zijn werken aan. Zijn voorwaarde: het museum moest een aparte zaal aan zijn werk wijden.

Het bestuur van het Stedelijk, zo blijkt uit een conceptbriefje, wilde dat de eigen opvolgers niet aandoen. Te midden van steeds vernieuwende kunst zouden dan permanent de zeegezichten van Mesdag hangen. Geen goed idee, meende het bestuur.

Maar hoe ging het dat aan Mesdag vertellen? Hem beledigen was riskant, daarvoor was Mesdag net even te machtig. De conceptbrief is nooit verstuurd. In plaats daarvan kreeg Mesdag een poeslief briefje waarin het bestuur het aanbod afsloeg. Vanwege ruimtegebrek.