Column

Impasse

Voor het weggaan gris ik nog gauw een dichtbundeltje van Martinus Nijhoff uit de boekenkast; het is klein en past net in mijn jaszak. Niet om in de trein de erudiete bink uit te hangen, maar om de reistijd te doden – je weet bij de Nederlandse Spoorwegen niet meer hoe lang die precies zal duren.

Pas gezeten in de trein besef ik dat ik daar ook wel eens op een andere manier rekening mee had mogen houden. Ik moet binnen een uur in het Mediapark van Hilversum zijn voor een live-uitzending van EenVandaag op Radio 1. Er hoeft maar één trein uit te vallen en ze zitten daar vergeefs op mij te wachten. Stom, stom, verwijt ik mezelf, terwijl mijn Sprinter tergend lang in Weesp blijft staan.

Vanaf het perron bij het Mediapark is het nog tien minuten lopen naar het NOS-gebouw. Ik haal het net. Een portier geeft me een dagpasje. Dit is het gebouw waar onlangs de gijzeling door een verwarde man plaatsvond. Van bewapende bewakers geen spoor. Een redacteur neemt me mee naar boven en wijst me op de redactie de kleine studio waar zich een en ander afspeelde.

Ik loop over de aangrenzende zaal met tientallen journalisten, onder wie Journaal-presentator Rob Trip, aan de bureaus. Ik begrijp des te beter hoe ze zich na de gijzeling gevoeld moeten hebben, en misschien nog steeds voelen: kwetsbaar. Dat de overvaller achteraf een rare man met een neppistool bleek, doet niet terzake. Het gaat erom dat nooit helemaal te voorkomen is dat zo iemand binnendringt.

In een wachtkamertje kom ik op adem. Daarna het interview door een vriendelijke presentator. Ik doe wat van mij verwacht wordt en praat alsof praten mijn liefste bezigheid is. In radiostudio’s voel ik me altijd meer op mijn gemak dan in tv-studio’s, het is alsof je op een krant rondloopt. Er hangt een ongedwongen sfeer, je waant je op bezoek bij een goede bekende; bij de tv heerst meer pretentie en gewichtigdoenerij.

Pas op de terugweg grijp ik in de trein naar Nijhoff. Het is een bloemlezing, ik laat mijn ogen dwalen over die soms schitterende regels en blijf hangen bij het gedicht Impasse.

Thuis vraag ik mijn vrouw meteen na binnenkomst: „Waar zal ik morgen over schrijven?” Ze zegt: „Ik zou het niet zo gauw weten.” Ik pak Nijhoff erbij en lees met zo neutraal mogelijke stem Impasse voor.

Wij stonden in de keuken, zij en ik.

Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.

Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag

wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,

en de kans hebbend die ik hebben wou

dat zij onvoorbereid antwoorden zou,

vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,

haar hullend in een wolk die opwaarts schiet

naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan

druppelend water op de koffie giet

en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.