Experimenteerzucht overheerst

Niet te veel tussen de muziek en het publiek gaan staan, dat is een grote kwaliteit voor een musicus. Violiste Anne-Sophie Mutter, gisteravond na ruim zeven jaar weer te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest, speelde het Vioolconcert van Sibelius echter al zó vaak dat de experimenteerzucht nu overheerste.

Onwaarschijnlijk zacht en zonder vibrato klonken de magische openingsmaten als van een verre planeet. Waarna de beroemde Duitse soliste grote contrasten in tempo en een scala aan speeltechnieken etaleerde: schmierende noten op de laagste snaar, een soms prachtig subtiele toon in het Adagio, voort stuiterende en afremmende akkoorden in de finale. Dirigent Andris Nelsons kon het orkest bij zo’n incoherent betoog nauwelijks bijsturen.

Des te natuurlijker liet hij de Tiende symfonie (1953) van Sjostakovitsj stromen. Nelsons dirigeert de komende seizoenen alle vijftien symfonieën van de Sovjetcomponist bij het KCO. Een heugelijk feit, want zijn affiniteit met deze muziek is groot én zijn klik met het orkest is evident.

Exemplarisch was de opbouw van het openingsdeel, met strijkersgroepen die als nevelflarden over elkaar gleden. Nelsons realiseerde een fluwelen eerder dan stalen klank, maar draaide de duimschroeven aan tot in de climax een schelle noodkreet aan het orkest ontsnapte. De epiloog klonk bleek, beduusd en posttraumatisch.

Ook in de daaropvolgende delen overtuigden de enorme differentiatie in dynamiek, de ad rem getimede blazerssoli, en Nelsons’ kunst om muzikale frasen met elegante krullen in de lucht te tekenen.