Ed Atkins creëert brutale en totale virtuele wereld

In de video-installaties van Ed Atkins betreedt de bezoeker een virtuele droomwereld. Maar het gaat de kunstenaar erom dat de bezoeker zich van de eigen aanwezigheid in het hier en nu bewust blijft.

Foto’s courtesy Ed Atkins, Cabinet, London, Isabella Bortolozzi Gallery, Berlin

De eerste gewaarwording van de video-installaties van Ed Atkins (Oxford, 1982) is overdonderend. De projectzaal op de benedenverdieping van het Stedelijk is ingericht als één groot video-environment en -soundscape. Levensgrote projecties op muren en op schuin geplaatste tussenwanden hebben een desoriënterend effect, de klanken van de werken vermengen zich en vullen elkaar aan. De bezoeker betreedt een droomwereld waarin hij wordt meegenomen in een stroom van gebeurtenissen, waarin hij vrijwel willoos van de ene ervaring in de andere glijdt.

Bij binnenkomst in de tentoonstelling wordt de bezoeker frontaal geconfronteerd met het werk Warm, Warm, Warm, Warm Spring Mouths (2013, aangekocht door het Stedelijk). Een virtuele figuur, een naakte jonge man getoond op borsthoogte, met lang haar en een oordopje in het oor, vertelt losse flarden van een verhaal, dat steeds opnieuw begint met de zin „Once upon a time a couple of people were alive who were friends of mine”. De man is een ‘avatar’, een digitale protagonist die hier beweegt met de bewegingen van Atkins en spreekt met zijn stem.

In veel van de werken speelt zo’n avatar de hoofdrol. Dave, een agressieve skinhead met knalblauwe ogen, komt overal in de tentoonstelling terug. Zijn hoofd, afgesneden bij de hals en vrij zwevend op het witte scherm, verleidt de bezoeker door hem fluisterend te vragen dichterbij te komen, dan weer is hij scheldend agressief. Soms doen de videowerken zich voor als interactief, er lijkt een bijna fysieke uitwisseling te zijn tussen de beschouwer en het beeld, het is alsof je Dave leven inblaast en in beweging zet door zelf voor het scherm te bewegen. Maar dit is schijn, alle werken zijn volledig geprogrammeerd.

Atkins, geboren in 1982 in Oxford, betreedt als een van de eerste ‘digital natives’ de kunstwereld, en dat zullen we weten ook. Zijn werk is een zelfverzekerde demonstratie van wat digitale technologie vermag, als nieuwe manier om kunst te produceren. Digitale technieken spelen natuurlijk al jarenlang op allerlei manieren een rol in kunstpraktijken (in video en fotografie, al dan niet interactief), maar de ongeremde en vanzelfsprekende wijze waarop Atkins ermee omgaat en de brutale en totale virtuele wereld die hij ermee creëert, zijn nieuw. Althans in de kunst, want in de game-industrie gebeurt dat al langer en op grote schaal.

Voor de tentoonstelling zijn werken uit de afgelopen twee jaar geselecteerd, waaruit is af te leiden dat Atkins een hoge productie heeft. Atkins maakt zijn werk op de laptop, waarbij hij montage- en animatieprogramma’s gebruikt. Opvallend is daarbij dat de geluidscomposities juist analoog zijn. Ze bestaan ten dele uit elektronische geluiden die de beweging van de beelden ondersteunen en voor een belangrijk deel uit bekende muziekfragmenten. Deze fragmenten zijn afkomstig uit de klassieke muziek, zoals de Matthäus Passion van Bach en drinkliederen van Purcell, en uit de popmuziek van de jaren zestig, van onder anderen The Eagles en Elvis Presley. In Ribbons, een werk dat via drie kanalen wordt vertoond, zingt een dronken, eenzame Dave, het hoofd op tafel tussen de bierglazen, met dunne maar zuivere stem Bachs Erbarme dich. In Happy Birthday!, over het vieren van verjaardagsfeestjes, klinkt de song Always on My Mind. De muziek heeft een sentimenteel en pathetisch effect en benadrukt een gevoel van vervreemding en isolement.

De titel van de tentoonstelling, Recent Ouija, is afgeleid van het seance-achtige spel Ouija – een samenvoeging van het Franse ‘oui’ en het Duitse ‘ja’ – dat in de 19de eeuw populair was. Het werd ingezet door waarzeggers en mediums om contact te leggen met geesten van overleden personen. De deelnemers aan een seance bewegen een blokje over een bord met cijfers en letters en krijgen op die manier antwoorden op door hen gestelde vragen. Met deze titel lijkt Atkins te suggereren dat in het digitale tijdperk het beeldscherm van de computer een Ouija-bord is, waarop de internetsurfer geesten uit een virtuele wereld oproept.

Recent Ouija gaat over een wereld van demonen en van een roes-achtige verdoving. Het is Atkins erom te doen, zo vermeldt het persbericht, een confrontatie op te roepen tussen de virtuele werkelijkheid van internet en een belichaamde of stoffelijke manier van zijn. De nadruk op de fysieke ervaring van de beschouwer en de aandacht voor de lichamelijke interactie met het werk is vermoedelijk hoe, volgens Atkins en het Stedelijk, dit werk zich als kunstproductie onderscheidt van videogames. Games zijn immers volledig illusionistisch en nodigen de speler uit om zich te identificeren met virtuele gebeurtenissen. Bij Atkins gaat het erom dat de bezoeker zich van de eigen aanwezigheid in het hier en nu bewust blijft.

In het werk Even Pricks brengt een enorme opgeblazen duim, die een navel in een naakte buik aanraakt en daarna leegloopt, inderdaad een fysieke ervaring teweeg. Zo ook in Counting, waar twee afgehakte hoofden van een trap buitelen een effect van vertigo oproepen.

De vraag is of dit inderdaad een betekenisvolle of bijzondere ervaring is, in plaats van gewoon een plat effect. Atkins’ grafisch vormgegeven tekstborden met mystificerende teksten die door de hele tentoonstelling heen hangen – „Puerile minds would sneer at the semblances of reason that are contorted to be considered your approach” – helpen bepaald niet om deze goedkope effecten te compenseren.

Atkins overspeelt zijn hand door te veel tegelijk te willen. Zijn thema’s: de gevolgen van de digitale cultuur voor ons fysieke bestaan, „existentiële vragen over sterfelijkheid, liefde en intieme relaties”, zijn te groot en veelomvattend. Veel verder dan tamelijk banale illustraties van de thematiek komt het niet. Het project is megalomaan, van de omvang van de installatie tot en met de veel te grote kunstenaarspublicatie die erbij verscheen. De echte demon die Atkins oproept is de illusie dat er dankzij digitale technologie geen grenzen meer zouden zijn aan ons kunnen.