De snelweg naar onze negen-tot-vijf-baan

Minister Bussemaker schreef een essaywedstrijd uit over het hoger onderwijs. Roel Meijvis werd derde en pleit voor studeren buiten de paden.

Stel. Je bent gek op Italië. Je houdt van het volk, de taal en de cultuur. Je grootste wens is dan ook om het land te verkennen. (Je bent zelfs bereid om daar geld voor te lenen.) Eenmaal aangekomen in Italië is het snel over met de pret. Aan de grens word je in een bus gestopt met allemaal verschillende mensen, die allemaal hun eigen redenen hebben om naar de laars van Europa af te reizen. De bus rijdt vluchtig langs wat bezienswaardigheden. Daarna wordt iedereen weer bij de grens afgezet met de woorden: „Dat was het. Nu weten jullie alles van Italië.”

Hoe raar dit misschien ook klinkt, met ons hoger onderwijs is het niet anders gesteld.

Welke onderwijsinstelling ik als middelbare scholier ook bezocht, overal was het gunstige banenperspectief het aas waarmee de scholen mij naar binnen probeerden te hengelen. „Na deze opleiding kun je meteen aan de slag!”, is misschien wel de meest gehoorde zin op de open dagen. Ook de lesprogramma’s zijn volledig afgesteld op de praktijk en de daarbij behorende vaardigheden. Omgekeerde wereld, als je het mij vraagt. Daarom is mijn onderwijsdroom voor 2030 dat iedereen kan studeren uit passie en interesse. En dat iedereen pas na zijn studie hoeft te bedenken op welke manier de opgedane kennis van betekenis kan zijn voor de samenleving.

Terug naar het voorbeeld. Je wilt geschiedenis studeren, omdat je niets zo interessant vindt als de Grieken en Romeinen. Toch word je in hetzelfde lesprogramma gestopt als alle andere mensen, die ook weer allemaal hun eigen interesses hebben binnen de geschiedenis. En je moet leraar worden. Daar heb je nooit voor gekozen, maar het is de enige optie om toch nog iets over de Grieken en Romeinen te weten te komen. Met tegenzin volg je de lessen over andere onderwerpen en het lesgeven zelf. Met tegenzin loop je stage. En met tegenzin – „maar wel direct na je studie!” – ga je aan de slag als geschiedenisleraar. En ziedaar het product van het lopende-bandonderwijs: een ongelukkig mens.

Toegegeven, als de vraag er niet is, zou dit ook niet het aanbod van de scholen zijn. Blijkbaar zijn er heel veel jongeren, die behoefte hebben aan een duidelijk praktisch doel. Vraag een filosofiestudent maar eens naar de standaardreactie die hij krijgt na het noemen van zijn studie. Dat zal hoogstwaarschijnlijk zoiets zijn als: „Filosofie? Wat kan je daar nou mee worden?” In dit antwoord schuilt de kern van het probleem. Te veel mensen doen een studie om iets te worden, maar alleen door te Zijn kun je echt iets betekenen. Het is het resultaat van het hele systeem rondom het lopende-bandonderwijs.

De wil om iets te weten

Vanaf de eerste confrontatie met de keuze voor een studierichting, ergens halverwege de middelbare school, voert de vraag wat je later wilt worden de boventoon. Wij weten niet beter. Er wordt ons niets anders gevraagd. Het onderwijs creëert op deze manier zelf de vraag voor zijn aanbod, iets wat economisch gezien zeer tactisch is. Maar het onderwijs heeft geen baat bij economisch beleid. Het onderwijs moet gaan om de ontwikkeling van jonge levens.

Ik ben ervan overtuigd dat het ons, zowel als samenleving als individu, veel meer zou opleveren wanneer wij iets zouden gaan studeren omdat we het interessant vinden. Ergens gefascineerd door zijn. Ergens alles van af willen weten. Omdat we het mooi vinden, of juist totaal niet. De wil om iets te weten. Niet de wil om iets te worden. Als je eenmaal genoeg denkt te weten over jouw studieonderwerp, kun je vervolgens op zoek gaan naar een manier om met die kennis van betekenis te kunnen zijn voor anderen. Beroepen liggen niet vast. Het zijn niet allemaal posten die bemand móeten worden. Wanneer jij diegenen die geïnteresseerd zijn in geschiedenis, allemaal op de weg zet die leidt naar een baan als geschiedenisleraar, zullen zij die weg volgen. Maar innovatie wordt pas gevonden, wanneer men buiten de gebaande paden treedt.

In ons huidige onderwijssysteem worden we allerminst gemotiveerd om af te wijken van de snelweg naar onze negen-tot-vijf-baan. De natuurlijke totstandkoming van een beroep wordt hierdoor in de kiem gesmoord. Maar wie zegt ons dat dit de banen zijn die onze samenleving nodig heeft? Er bestaat geen blauwdruk voor het leven. Wij moeten als samenleving niet proberen ieders leven uit te stippelen. Dit is, zoals al eerder beweerd, funest voor creativiteit en vernieuwing, maar bovenal voor ons geluk.

Geen mens is hetzelfde. Ieder individu heeft zijn eigen behoeftes, verlangens, dromen, talenten, valkuilen en zwaktes. Maar hoewel onze middelen misschien verschillen van mens tot mens, het doel is voor iedereen gelijk. We willen allemaal geluk. Aangezien je het grootste deel van je tijd hier op aarde besteedt aan je opleiding en je werk, vormen zij dus ook een aanzienlijk deel van je geluk. Maar doordat wij mensen proberen te kneden zodat ze in bepaalde hokjes passen, in plaats van mensen hun eigen hokjes te laten creëren, ontnemen we dus ook een aanzienlijk deel van hun geluk. En dat is nu precies het probleem van ons huidige onderwijs. Vergelijk het met een vormenstoof. Zo’n blokkendoos met gaten erin, waar je als kind mee speelde. Bij ieder gat hoorde een blok met overeenkomstige vorm. Wij mensen zijn allemaal blokken, met elk onze eigen vorm. Ons schoolsysteem is de baby die met brute kracht het vierkant door de cirkel heen probeert te beuken.

Als we dromen over het onderwijs in 2030 moet het naar mijn mening dus niet gaan over de hoeveelheid iPads, of we de colleges via YouTube kunnen volgen, noch over het gebouw waarin we les krijgen. Het moet gaan om waar het onderwijs over moet gaan, namelijk over de ontwikkeling van jonge levens. Over de vraag wie je bent en waar je gelukkig van wordt. Het moet gaan over het creëren van je eigen hokje. Over Zijn, niet over worden. Het moet gaan over buiten de paden treden. Het moet gaan over Italië verkennen.

Aan de onderwijsinstellingen wil ik dan ook graag nog een geheimpje verklappen: die deksel met al die gaten waar maar één bepaalde vorm doorheen past, die kan er af.