Zonder Tinder in de sauna

Het is elf uur ’s avonds op Plaça del Diamant, midden in Barcelona. Bier op tafel, bijna 20 graden in de winter en er klinkt vrolijk Catalaans geklets. Op het plein spelen nog kinderen. En wat opvalt: er is vrijwel geen telefoon te zien. Niemand neemt een selfie, niemand appt. Ik voel me bijna schuldig dat ik dit verhaaltje op een tablet zit te tikken. Spelbreker.

Het is een schril contrast met de herrie een paar kilometer verderop. In de beurshallen waar deze week het Mobile World Congress wordt gehouden, verdringen fabrikanten elkaar om hun nieuwe smartphones aan te prijzen. Nog groter, nog beter, nog meer functies, nog persoonlijker. Wordt het de Samsung Galaxy S6, de HTC One M9, de nieuwe Lumia? Een roedel journalisten, waaronder ik, rent van persconferentie naar persconferentie: hun telefoons fotograferen andere telefoons, en die foto’s worden verstuurd naar nog meer telefoons.

Tijd voor contemplatie. Acht jaar na de introductie van de iPhone is er een industrie ontstaan die weet wat we willen: overal en altijd in verbinding staan met de rest van de wereld. The Economist schaarde de smartphone onlangs in het rijtje uitvindingen tussen de boekdrukkunst, de klok en de verbrandingsmotor. 

Zoals bij elke Grote Uitvinding moeten we aan de telefoon nog een beetje wennen. Bijvoorbeeld minder vaak blind op ‘OK’ klikken als je een app installeert. Anders duwen push-berichten een continue stroom informatie naar binnen. Zo moet een gans zich voelen, als hij door een trechter wordt volgestouwd met voedzame pap.

Naast information overkill dook ook fear of missing out als ‘ziektebeeld’ op – de angst dat je iets belangrijks mist. We zijn overal live bij; twee miljard telefoongebruikers die elkaar wakker houden. Mijn nachtmerrie is ergens te stranden zonder bereik, met een lege accu.

Technoference (tech + interferentie) is een nieuwe kwaal, bedacht door een groep Amerikaanse psychologen. De telefoon mag dan ideaal zijn om relaties op afstand te onderhouden, de continue aanwezigheid van gadgets hindert de relatie die het dichtst bij je staat; die met je partner.

Nog wat moderne ziektes: de swipe-duim en de tech-nek. Je zakt weg in een zelf gecreëerde bubbel  – hoofd naar beneden, je duim veegt werktuiglijk de pixels heen en weer. Gevoel voor het hier en nu verdwijnt. Het internet is open, we sluiten onszelf af.

Soms leg ik m’n telefoon – eventjes dan – weg om te zien in wat voor omgeving ik ben beland: een treincoupé vol oplichtende schermpjes en afwezige kruinen. The Matrix pendelt gewoon tussen Utrecht en Amsterdam. Als ie rijdt.

Het probleem is dat die telefoon zo verdomde handig is. Onmisbaar. My precious... zou Gollem zeggen. Dankzij de smartphone worden we zelf dommer; vergeten we hoe we de weg vinden zonder Google Maps of typen zonder autocorrectie. Vergeten we straks hoe we een spontaan gesprek moeten voeren? Is daar een app voor? 

Website The Next Web was ook al in een filosofische bui en publiceerde twee praktische tips om niet verslaafd te raken aan je telefoon. Tip 1: zet alle notificaties uit, behalve gesprekken en sms; de twee basisfuncties. Tip 2: geef je mobiele telefoon een vaste plek. Houd ’m thuis niet in je broekzak maar op een vaste plek, buiten handbereik. En op je werk laat je het toestel gewoon in je tas.

Nog een oplossing voor smartphone-verslaving: reserveer een dagje in de sauna. Dat is de plek om met andere mensen in één ruimte te zijn zonder dat iedereen naar een scherm tuurt. Toegegeven, het voelt wat naakt, zo zonder Facebook, Instagram en Tinder in je hand. Maar het went.