Nu komen ook de docenten in het geweer

De bezetting van het Amsterdamse Maagdenhuis inspireerde ook studenten in andere steden. En nu komen ook de docenten van de universiteiten in opstand tegen het ‘rendementsdenken’.

Studenten in het Maagdenhuis, het bestuursgebouw van de UvA dat door hen bezet is. Aan het woord is de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel, die de studenten oproept zich beter te organiseren. Foto Olivier Middendorp

Meer dan tweehonderd docenten van verschillende universiteiten hebben zich in een open brief solidair verklaard met de demonstranten die het Maagdenhuis bezetten. „Of wij nu akkoord gaan met de bezettingsmethodes of niet, laat er geen misverstand over bestaan: wij ondersteunen de eisen van onze studenten van harte”, schrijven ze. En ze voegen er hun grieven aan toe tegen „regentesk doorgevoerde verschralende maatregelen en verkapte bezuinigingen”.

Rendement, rendement

Als je docenten nader bevraagt, komen ze met persoonlijke voorbeelden over hoe die ‘regenteske bestuursstijl’ en het ‘rendementsdenken’ hun dagelijkse werkzaamheden beïnvloeden. Op de Universiteit van Amsterdam (UvA) is de hiërarchie sinds september zo georganiseerd dat het faculteitsbestuur besluit welke docenten welke vakken voor hoeveel uur geven. De belangrijkste maatstaf daarbij, zegt hoogleraar filosofie Joseph Früchtl, is „rendement, rendement, rendement”, zo hoorde hij het van de twee directeuren onderwijs van de faculteit. Waarbij ‘rendement’ staat voor het percentage studenten dat een vak afrondt met een tentamen of een paper.

Früchtl geeft al jaren een cursus art and modernity voor masterstudenten, waarvan de inhoud jaarlijks varieert. Dit was de eerste keer dat hij te horen kreeg: we hebben geen uren meer voor dit college. Volgens hem was het altijd een succesvol vak. „Ook in termen van rendement; 50, 60 procent van de studenten rondt het af.” Maar: „Het bestuur vond het te weinig.” Het kostte hem weken onderhandelen, via het hoofd van zijn afdeling, voor het college toch mocht doorgaan.

Het probleem van de strakke hiërarchie – waardoor de inspraak van vakdocenten in het curriculum is geminimaliseerd – beperkt zich niet tot de UvA. Op die andere Amsterdamse universiteit, de VU, kondigde bestuursvoorzitter Jaap Timmer vorig jaar september ineens af: „Binnen een paar jaar zal Engels de voertaal op de VU zijn.” Emeritus VU-hoogleraar filosofie Hans Radder verbeet zich daarover. „Niemand vraagt: wil men dat? Is dat wel goed voor de universiteit? Het wordt gewoon bepaald, zonder verder overleg.”

Steeds knellender

Andere kwestie die de docenten direct raakt: de urennormering. Daar is het faculteitsbestuur nu mee bezig, volgens Früchtl. „Zo wordt bekeken hoeveel onderwijs iedere docent individueel moet geven. Dat gaat heel precies, tot en met de uren die je mag besteden aan het nakijken van scripties of het maken van afspraken van docenten aan toe.” En die afspraken worden steeds knellender, zegt Radder: „Het ene jaar wordt een bepaald aantal uren gerekend voor de begeleiding van een scriptie. Het volgende jaar wordt er bezuinigd, en is er voor die begeleiding plotseling tien uur minder beschikbaar.”

Vervolgens, zegt Früchtl, zien ze dat een docent niet alle tijd van zijn aanstelling ‘op’ krijgt met de door hen voorgeschreven uren. „En dan zeggen ze: Joseph, je doet te weinig; literatuurwetenschap heeft behoefte aan een cursus esthetica, ga jij die maar geven. Zo bepalen zij, ver weg van de werkvloer, welke vakken ik moet geven.”

„Wat de markt wil, wordt wat je de markt biedt”, zegt Patricia Schor, taal- en cultuurwetenschapper en als onderzoeker verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht. „Studies en onderzoeken die populair zijn, krijgen het geld en de uren.” Schor was aangesloten bij Portugese studies tot dat in 2012 werd opgeheven. „Als de klacht nou is: de kwaliteit is niet goed, kun je zo’n opleiding herstructureren. Maar je hoort alleen: het is te klein, dus het gaat niet door.”

Bij filosofie heeft docent Robin Celikates gehoord dat een college dat door minder dan twintig studenten wordt gevolgd, „niet rendabel” wordt geacht. En dan heeft hij een bevoorrechte positie, zegt hij bijna gegeneerd: „Ik heb een onderzoeksbeurs. Ik hoef geen onderwijs te geven.” Maar ook dat wetenschappelijk onderzoek wordt door de wetten van de markt gedicteerd. „Alles wat niet maatschappelijk toepasbaar is”, zegt Schor, „krijgt geen geld – of alleen na krachtig onderhandelen.”

Totaal passé

Voor de bètawetenschappen vormt de maatschappelijke toepasbaarheid in tijden van bezuiniging juist een vloek, zegt Vincent Icke, hoogleraar theoretische sterrenkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden. „In elke onderzoeksaanvraag moet tegenwoordig ook direct worden aangegeven waar het eindproduct kan worden toegepast.”

Icke schaart zich wel achter de zorgen bij de Nederlandse academici, maar met de huidige aanpak heeft hij niets op. „Zo’n Maagdenhuisbezetting heeft geen enkele zin. Dat is totaal passé, wie raakt daar nou nog van geshockeerd?” Wat wel zin heeft: „Een geduldige, langdurige strijd. Wachten en hopen dat de volgende regering meer nadenkt over de waarde van de wetenschap.”