Column

Ideale titel

‘Een uitgever wil onze politieke dialogen bundelen”, meldde ik onlangs mijn vrouw, „en nu zou het leuk zijn als jij ook een beetje aan de publiciteit meewerkt.” Ik probeerde het zo laconiek mogelijk te zeggen, zoals je wel vaker doet om je huwelijk als een zwalkend schip door zware stormen te loodsen.

Ze keek me verbaasd aan. „Het zijn toch jóúw columns?”

„Jawel, maar wij praten in die columns toch veel met elkaar?”

„Dat gebeurt in wel meer huwelijken.”

Ik voelde een moeilijk te overwinnen weerstand tussen ons oprijzen. Ook dat gebeurt in wel meer huwelijken, maar de ene weerstand is nog niet de andere weerstand en ik kan iedereen verzekeren dat ik op dit gebied ervaringsdeskundige ben. „In ons geval”, zei ik langzaam, terwijl ik elk woord wikte en woog, „vinden de lezers het misschien wel leuk om te weten wie de vrouw is achter de vrouw van de columnist.”

„Wat zouden ze daaraan hebben?”, vroeg mijn vrouw.

„Dat geeft misschien meer psychologische duiding”, waagde ik.

Ze schoof met opvallend veel gerucht wat kopjes en schoteltjes op een dienblad en verliet daarmee de kamer, terwijl ze nog over haar schouder zei: „Ik zit op geen enkele psychologische duiding te wachten.”

„Dus je wilt geen interviews geven?”, vroeg ik toen ze terug was.

„Er worden in Nederland al zoveel interviews gegeven”, zuchtte ze, „ik geloof dat ik de enige ben die nog nooit geïnterviewd is.”

„Wat is er tegen interviews? Zo zien de lezers tenminste dat jij ook een mens van vlees en bloed bent. Sommigen denken dat je niet eens bestáát, dat je een door mij bedacht personage bent en dat ik al die dialogen verzin.”

Ze wierp me een triomfantelijk lachje toe. „Prima toch? Dat moeten ze vooral blijven denken.”

Ik voelde dat ik in deze onderhandelingen aan de verliezende hand was. Wat viel er nog te redden? „Een leuke foto van ons tweetjes op de achterflap”, probeerde ik tegen beter weten in.

Ze keek me aan alsof ik een onbekende was die haar een zeldzaam oneerbaar voorstel had gedaan. „Wij hebben toch ook nooit leuk met z’n tweetjes boven jouw column in de krant gestaan? Waarom nu dan wel?”

„Voor de verkoop”, zei ik lusteloos.

„Ik heb een beter idee”, zei ze. „We vragen Diederik Samsom of hij het boek onder de leden van de PvdA wil verspreiden. Het zijn er niet meer zoveel, maar nog wel genoeg voor een paar drukken.”

„Dat kan ik niet doen, ik hecht aan mijn journalistieke onafhankelijkheid.”

Ze haalde haar schouders op. „Je ben toch ook met een rooie vrouw getrouwd?”

Het was alsof er een pistoolschot in de nacht klonk. Ik veerde op en slaakte een wilde kreet. „Ik heb ’m! Ik heb de titel!”

Iedere boekenschrijver hoopt op dit moment. Hij heeft maandenlang gepiekerd over een passende titel, elke gezocht-grappige inval en gruwelijke woordspeling is voorbijgekomen, de wanhoop groeit, de inleverdatum nadert – en dan opeens is daar die ideale titel die alle andere titels overbodig maakt.

„Welke dan?” vroeg mijn vrouw argwanend.

„Dat merk je nog wel”, zei ik.