Hoe rovers en beeldenstormers erfgoed slopen

IS trok de aandacht door Iraakse museumstukken te vernielen. Tegelijkertijd verdienen de islamitische beeldenstormers aan de handel in archeologische stukken uit het oude Mesopotamië.

De video die de Islamitische Staat (IS) vorige week de wereld in stuurde, is even schokkend als misleidend. We zien bebaarde IS-strijders in het Ninawa Museum van de Noord-Iraakse stad Mosul Assyrische en andere pre-islamitische beelden aan stukken slaan. Maar we zien niet wat we denken te zien.

Kenners van het antieke Midden-Oosten wijzen erop dat een deel van de verwoeste beelden van gips is. Ze vallen makkelijk uit elkaar en tussen de brokstukken is soms het betonijzer te zien waarmee gipsen afgietsels worden gewapend. Volgens hen gaat het veelal om replica’s. De originelen worden bewaard in het British Museum, het Metropolitan Museum of Art in New York en het Parijse Louvre.

Volgens Eleanor Robson, voorzitter van het Britse Instituut voor de Studie van Irak, waren de meeste originelen al voor de bezetting door IS van Mosul in veiligheid gebracht in het Nationale Museum in Bagdad. Dat is na de plundering in 2003 gesloten. Intussen is een groot deel van de, destijds onder Amerikaanse ogen geroofde, stukken terecht. Het museum is afgelopen weekeinde vervroegd heropend, als reactie van de regering op IS.

Archeologische genocide

Maar niet alles is schijn. In de video is te zien hoe een lamassu, een gevleugelde stier met mannenkop die de stadspoort van de oude Assyrische hoofdstad Nineveh bewaakte, zó wordt bewerkt met een drilboor dat van het gezicht niets overblijft. De beeldenstorm in Syrië en Irak, landen die talrijke schatten herbergen uit de geschiedenis van Mesopotamië, de wieg van de beschaving, vervult archeologen met afgrijzen.

De verwoestingen zijn vaak religieus geïnspireerd. De aanslagen op werelderfgoed moeten getuigen van niets ontziende geloofszuiverheid. Toch wordt het lot van cultuurgoed niet bepaald door vrome overwegingen alleen, maar ook door verkoopbaarheid. Want IS heeft geld nodig. Alleen ‘afgodsbeelden’ die niet te verhandelen zijn, zoals gipsen replica’s en de reusachtige gevleugelde stier bij de Nergalpoort, worden verwoest.

De Duitse forensisch archeoloog Michael Müller-Karpe, verbonden aan het Romeins-Duitse Museum in Mainz, spreekt van „archeologische genocide”: de historie van Syrië en Irak wordt systematisch en op grote schaal vernietigd. „In sommige gevallen zijn zelfs bulldozers en explosieven gebruikt om historisch materiaal op te graven. Ruïnes die duizenden jaren bewaard zijn gebleven, zijn binnen enkele maanden vernietigd.”

De vernietigingsdrang blijft niet beperkt tot pre-islamitisch erfgoed. Dat IS terug wil naar de 7de-eeuwse praktijken van de profeet en zijn eerste opvolgers, betekent dat alle tradities en gebruiken die later ontstonden als ontsporingen gelden. IS richt zijn agressie ook op graven van door moslims vereerde profeten vóór Mohammed, soefi’s (mystici) en grote imams uit het verleden. Want een dergelijke grafcultus, zegt IS, is syirk, veelgoderij. Ook gebedshuizen van shi’ieten, in de ogen van IS de grootst mogelijke ketters, moeten het ontgelden.

Kort na de bezetting van Mosul verwoestte IS het mausoleum waar volgens de overlevering de profeet Jona ligt begraven. In de door IS bezette stad Tal Afar is een deel van de Ottomaanse stadsmuren gesloopt. In bezet Tikrit zijn islamitische graftombes verwoest. En in Bashir zijn shi’itische moskeeën en graven verwoest.

Oude boeken ondergaan een vergelijkbaar lot. In januari haalde IS uit de bibliotheek van Mosul 2.000 zeldzame, door IS als ‘onislamitisch’ aangemerkte boeken en handschriften. Voor vernietiging of verkoop. Volgens de directeur van de bibliotheek is het gebouw daarna met explosieven verwoest. Wat verloren ging, waren 18de eeuwse manuscripten, de eerste boeken die in de 19de eeuw in Irak zijn gedrukt in het oud-Syrisch, en Arabische oudheden als astrolabia.

De roverij en verwoesting zijn niet begonnen met IS. Sinds de invasie van 2003 en de desintegratie van Irak is er in het land op ongekende schaal geplunderd. En toen de opstand tegen het Syrische regime ontaardde in een bloedige sektarische oorlog, heeft Jabhat Al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaeda, christelijk-orthodoxe kerken en kloosters leeggeroofd en verwoest. Uit religieuze weerzin én uit hebzucht. Iconen en mozaïeken verdwenen naar Libanon en Turkije om voor veel geld te worden verkocht.

Miljardenbusiness

De illegale handel in geroofde archeologische voorwerpen is uitgegroeid tot een miljardenbusiness waarmee IS en andere gewapende groepen hun strijd financieren, stelde UNESCO vorig jaar. De handel betreft voornamelijk kleinere voorwerpen die makkelijk te vervoeren zijn, zoals gouden munten, sierraden, bustes, vazen en kleine beelden van mensen en dieren.

Onderzoekers van de Universiteit van Pennsylvania analyseerden anderhalf jaar lang honderden satellietfoto’s van Syrië en Irak en constateerden een fikse toename van het aantal opgravingen in gebieden van IS. De plekken op de foto’s zien eruit als kraters na een bombardement.

De onderzoekers spraken ook met Syrische vluchtelingen in Turkije, die vertelden hoe IS de handel onder strikte controle houdt. De terreurbeweging geeft concessies aan de lokale bevolking om opgravingen te doen, zodat ze zelf de handen vrijhoudt voor de strijd. Inspecteurs van IS houden de opgravingen nauwlettend in de gaten. Opgravers moeten 20 tot 50 procent van de opbrengst afstaan. De belasting is gebaseerd op de khums, een heffing op oorlogsbuit die stamt uit de tijd van de profeet.

„Door illegale opgravingen gaat de context van de vindplaats verloren”, zegt Müller-Karpe. „Het is alsof je de tong van de objecten afsnijdt. Die vindplaatsen zijn een soort archieven, waar belangrijke informatie ligt opgeslagen over de oorsprong van het schrift, wiskunde, astrologie, het wiel, uitvindingen waar onze moderne samenleving op gebaseerd is. Nu kunnen die objecten ons niet meer vertellen welke waarde ze hadden en waarvoor ze gebruikt werden.”

Europese veilinghuizen

Van Syrië en Irak worden de kunstschatten door smokkelaars naar Turkije of Libanon gebracht, waar ze aan tussenhandelaren worden verkocht. Het is een gevaarlijke reis, dwars door oorlogsgebied, maar wie de juiste contacten heeft kan veel geld verdienen. Een jonge Syrische smokkelaar in spijkerbroek en T-shirt vertelde aan de BBC dat hij voor sommige objecten wel een miljoen euro beurde.

Tussenhandelaren in Libanon en Turkije hebben weinig te vrezen van de autoriteiten, de handel in antiquiteiten is simpelweg geen prioriteit. „Libanon is van oudsher een belangrijk centrum voor smokkel”, zegt Müller-Karpe. „En de Turkse autoriteiten hebben wel enkele partijen geconfisqueerd, maar ze sturen ze niet terug naar het land van herkomst. Het probleem is de Turkse wetgeving, die alleen is gericht op de handel in Turkse antiquiteiten. Opgraving, handel en export zijn verboden, maar elk object op Turkse bodem is volgens de wet eigendom van de Turkse staat.”

De handelaren in Turkije en Libanon sturen foto’s naar rijke verzamelaars en veilinghuizen in de Golfstaten, China en Europa. Na een bezoek om de objecten nader te inspecteren, worden ze verkocht en meegenomen.

„Veel objecten gaan naar handelaren de Golfstaten”, zegt Müller-Karpe, „die hebben veel geld hebben en zijn geïnteresseerd in kunstschatten. Ze bouwen imposante musea en proberen nieuwe collecties op te bouwen. Maar antiquiteiten uit Syrië en Irak zijn niet legaal verkrijgbaar, beide landen hebben de handel al in 1896 verboden, dus kunnen ze alleen op de zwarte markt gekocht worden.”

Ook Europese steden als Genève, München en Londen zijn belangrijke centra voor de illegale handel in antiquiteiten. Catalogi van veilinghuizen staan vol met objecten, die duidelijk zijn te herleiden naar Mesopotamië. Dit strafbaar, want alle Europese landen hebben de VN-conventie uit 1970 ondertekend die de handel in cultureel erfgoed verbiedt.

Maar de handhaving laat zeer te wensen over. Vaak moet het land van herkomst geplunderde kunstschatten aangeven, maar die weten vaak niet wat er is verdwenen. Terwijl de herkomst van de kunstschatten evident is. Toch blijven de veilinghuizen buiten shot. Müller-Karpe: „Ik sprak politiemensen in München die zich bedreigd voelden. Niet direct, maar de veilinghuizen maken deel uit van de elite en weten precies hoe ze autoriteiten kunnen beïnvloeden.”