Hier sponsort de boer een tennisclub

In aanloop naar de Statenverkiezingen van 18 maart bezoeken twee verslaggevers de twaalf provincies en tekenen alledaagse zorgen van de kiezer op. In Brabant gaan die over het boerenleven.

Lang niet alle Brabanders vinden hun provincie stinken naar mest en varkens. Hou toch op, zegt een vrouw uit Reusel tijdens het nordic walken. Last van stank? „Goed snuiven, dan is het eerder op.”

Het dorp Reusel schijnt normaliter flink te geuren en heeft om die reden zelfs enkele urgentiegebieden aangewezen. Maar vandaag valt het mee. Misschien komt het door de regen. „Ik merk er niets van”, zegt een vrouw die twee honden uitlaat. „Terwijl ik toch goed kan ruiken.”

De verhouding tussen boer en burger, tussen intensieve veehouderij en omgeving, is een groot thema in Brabant. „Het evenwicht is verstoord”, zegt gedeputeerde Yves de Boer (VVD). „Alle politieke partijen zijn ervan doordrongen dat er iets moet gebeuren.”

In Brabant hebben ze een afkorting bedacht om de veehouderij te verduurzamen. BZV. Dat betekent niet Boer Zoekt Vrouw, maar Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. Je kunt als veehouder punten verdienen door innovatief te zijn, te beschikken over certificaten voor bijvoorbeeld melk van weidekoeien en rekening te houden met je omgeving. De Boer: „Als een boer laat zien dat hij verduurzaamt en in harmonie is met zijn omgeving, maken we geen bezwaar als zijn bedrijf uitbreidt. Wel hebben we afgesproken dat de bebouwing op een bedrijf niet groter mag zijn dan anderhalve hectare.”

Een van de pleitbezorgers van de boerenscore is melkveehouder Herman van Ham uit Luyksgestel. Zijn honderdtachtig koeien staan te dampen in de stal. Hij steekt veel tijd in vergaderen en praat als een bezorgde burger. Heeft het over „sociaal fatsoen” van boeren die moeten „meeveren” met de tijd. Van Ham: „We hebben na de oorlog een heel sterke agroketen opgebouwd. Maar de samenleving is vragen gaan stellen. Mensen accepteren niet dat een veehouder zijn vergunning gebruikt om zoveel mogelijk te vervuilen. Dat systeem is min of meer failliet. We moeten naar een circulaire landbouw, waarin we zuinig zijn met grondstoffen en mest beschouwen als grondstof in plaats van als afval.”

Helemaal mee eens, zegt de vlotte varkenshouder Maarten Rooijakkers veertig kilometer verderop, in Aarle-Rixtel. Samen met zijn broer runt hij een bedrijf met 750 fokzeugen en 6.500 vleesvarkens. Kijken mag. Achter een raam in de stal scharrelen varkens als een meute reizigers op een druk treinstation. „We moeten als veehouders niet alleen blijven proberen de kostprijs laag te houden”, zegt hij. „Dat verdienmodel is versleten. We moeten ook nieuwe toegevoegde waarde creëren. Door smaakvolle producten te maken waarvoor mensen meer betalen. Maar ook door waarde aan de omgeving toe te voegen. Al is het maar door de tennisclub te sponsoren. Zodat je omgeving het gevoel krijgt: het zou jammer zijn als dit bedrijf verdwijnt.”

Rooijakkers is vandaag gestoken in roze overhemd en puntschoenen. Hij gaat op werkbezoek. Laatst was hij in Afrika. Daar ontmoette hij een boer met een mooi bedrijf die zich niet aan wetten of regels hoefde te houden. „Er waren geen wetten.” Wel verwachtte de omgeving dat de boer zorgde voor werk, scholing en medische zorg. „Die boer zei: ‘Als ik dat niet doe, jagen ze me weg.’ Toen dacht ik: ‘Ja, dat zijn we hier in Nederland vergeten.’”