Geef nieuwsgierigheid de ruimte

Nieuwe president KNAW

De eerste vrouwelijke president van de KNAW schetst trends in wetenschap en haar zorgen daarover.

José van Dijck: „Bij het brede publiek is te veel een beeld ontstaan dat de wetenschap geen intrinsieke waarde heeft.” Foto Merlijn Doomerink

Voor het eerst is het gezicht van de Nederlandse wetenschap vrouwelijk. José van Dijck, hoogleraar vergelijkende mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, is gisteren verkozen tot nieuwe president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), het genootschap van excellente wetenschappers. Op basis van drie stellingen schetst ze trends in de wetenschap. En haar zorgen daarover.

1 Omdat kleine talen zoals Hebreeuws en Tsjechisch zo weinig studenten trekken, is het begrijpelijk dat faculteiten geesteswetenschappen, zoals nu bij de UvA, reorganiseren.

„Het is makkelijker om 5.000 sympathisanten op te trommelen voor het behoud van kleine talen, dan vijf studenten te trekken voor de studies Pools, Grieks, Nieuw-Grieks en Roemeens bij elkaar. Dat is niet van de laatste jaren. Dat is al twintig jaar zo. En we proberen ze al heel lang te beschermen. Ik ook, toen ik decaan geesteswetenschappen was [2008 tot 2011]. Maar er is één probleem. De financiering van universiteiten is mede gebaseerd op studentenaantallen. De vraag die daarop volgt is: moeten we universiteiten dan anders bekostigen? Die vraag vind ik erg ingewikkeld en kan ik niet zomaar beantwoorden. Als ik me beperk tot onderzoek, zie ik wel een zorgelijke tendens: er gaat steeds minder geld naar vrij, ongebonden onderzoek. Zeker in de alfa- en gammahoek. Het wordt voor wetenschappers lastiger de eigen nieuwsgierigheid te volgen terwijl juist die nieuwsgierigheid leidt tot de belangrijkste nieuwe inzichten.”

2 De invloed van het bedrijfsleven op de richting van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland is te groot geworden.

„Voor een deel maak ik me daar zorgen over. NWO verdeelt jaarlijks zo’n 650 miljoen euro onderzoekssubsidies, daarvan moet sinds kort 275 miljoen naar de topsectoren, zoals chemie, hightech, voeding. Alfa- en gamma-onderzoek zijn daar nauwelijks vertegenwoordigd. Terwijl we in die velden wel heel groot zijn. In de logica bijvoorbeeld zijn we top, in de sociologie, de politieke wetenschappen, en in mijn vakgebied: media en communicatie. Alfa en gamma worden te gemakkelijk afgedaan als iets dat slechts ondersteunend is, of leuk, maar verder niet van betekenis. Maar denk alleen al eens aan de cultuursector. Die is van grote waarde, ook economisch.

„De bedrijven zeggen genoeg ruimte te laten voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek. Ik heb er geen concrete cijfers over. Het zou echt iets zijn om eens uit te zoeken. De KNAW doet een studie naar het onderzoekslandschap. Hoe ziet dat er uit, ontbreekt er iets, krijgen richtingen zoals de kleine talen, maar ook een kleine bètastudie als wiskunde, voldoende aandacht? Dat rapport verschijnt dit voorjaar.”

3 Wetenschappers moeten beter getraind worden in de omgang met politici, bedrijfsleven en burgers.

„Goed punt. Wetenschappers moeten sinds kort ook valoriseren. Dat is precies dit: met ander publiek dan wetenschappers praten. Uitleggen waar het onderzoek over gaat. Jonge wetenschappers zijn daar veel makkelijker en handiger in dan mensen van mijn leeftijd en ouder. Ze zijn vergroeid met camera’s, of die nou op de eigen telefoon zitten of die van de buurman. De laatste jaren is bij het brede publiek te veel een beeld ontstaan dat de wetenschap geen intrinsieke waarde heeft. Dat politiek of bedrijfsleven vraagt en wij dan wel draaien. Naarmate we minder nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek kunnen doen, wordt dat probleem groter. Juist uit het vrije onderzoek blijkt een ongebonden positie. Dus als ik iets zou willen veranderen aan het wetenschappelijk systeem is het dat wel, dat er meer ruimte komt voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek.

„En ik wil proberen meer spirit te brengen in het genootschap. Het zijn vooral ouderen die er de dienst uitmaken. We hebben een Jonge Akademie, maar daar zit je maximaal vijf jaar, en je gaat niet automatisch door naar het genootschap. Maar als je eenmaal tot het genootschap bent toegetreden is dat voor de rest van je leven. Een merkwaardig fenomeen. Dat is iets om over na te denken. We hebben die jonge mensen die nog met beide benen in de wetenschap staan hard nodig. Ze brengen een frisse wind.”