Daarover zit die duif dus na te denken op dat takje

Roy Andersson is waarschijnlijk de enige filmmaker ter wereld die zich af kan vragen waar een vogel op een schilderij aan denkt. Of in het geval van het slotdeel van zijn ‘Living’-trilogie (voorafgegaan door Songs From the Second Floor en You the Living) waar de duif op het schilderij Jagers in de sneeuw (1556) van Pieter Breughel de oudere aan denkt. Die duif leeft nog. Kan elk moment wegvliegen. Maar de duif die Andersson in het openingsbeeld van zijn film laat zien is opgezet in een natuurhistorisch museum. Gestold in de tijd. Versteend in de ruimte.

Kan een dode duif nog nadenken over het bestaan, zoals de titel van de film luidt: A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence? De film werd vorig jaar op het filmfestival van Venetië bekroond met een Gouden Leeuw en was onlangs nog te zien op het Filmfestival Rotterdam als sleutelfilm van een themaprogramma over modern surrealisme.

Of Anderssons films surrealistisch zijn of absurdistisch de zinloosheid van het bestaan laten zien, daarover kun je discussiëren. Ik denk dat Andersson met zijn tableau-achtige scènes waarin de tijd vertraagd is en logische dingen gebeuren die tegelijkertijd onverklaarbaar lijken (en andersom!) meer een erfgenaam is van Camus en Beckett. Maar één ding is zeker: hij is ook volstrekt uniek op zijn eigen geniale en grappige manier. Zijn shots zijn in één oogopslag te herkennen: fijnzinnig, gedetailleerd, eindeloze perspectieven, veel scherptediepte, alles in diezelfde post-Sovjet onderwaterkleuren: een wereld waar al duizend jaar geen zonlicht meer is geweest, de mensen bleek als levende doden. Je kunt ernaar blijven kijken, en hoe langer je kijkt, hoe meer ze hun geheimen prijsgeven. Voorgrond en achtergrond wisselen voortdurend van hiërarchie. Een personage uit het ene tafereel duikt plotseling als figurant op in een ander. Mensen blijken in verschillende situaties steeds hetzelfde te zeggen.

Door die non-lineaire manier van vertellen dringen zich eerder thema’s en motieven op dan plot en psychologie, maar er is wel iets van een rode draad te herkennen. Dat zijn de avonturen van de gedeprimeerde handelsreizigers in fopartikelen Jonathan en Sam, met wie we door een wereld worden gevoerd waarin geld het voor het zeggen heeft gekregen en alles spektakel is geworden. Door die herkenbare personages is Pigeon veel toegankelijker en komischer dan Anderssons eerdere films, misschien ook voorspelbaarder. Maar achter die voorgrond schuilt wederom een diepdroeve wereld van onberedeneerde wreedheid en existentiële hulpeloosheid. Daarover denkt die duif dus na.