Zeven magere jaren in de thuiszorg

Grote zorginstellingen met duizenden werknemers breken als rietjes af. Heeft de huishoudelijke hulp nog toekomst?

Thuiszorgmedewerkers demonstreerden het afgelopen jaar met regelmaat tegen de malaise in hun sector. Foto’s ANP/FLIP FRANSSEN

Een loonoffer van 5,8 procent? In de thuiszorg werkt de commotie om salarisverlagingen van V&D-personeel bijkans op de lachspieren. Huishoudelijke hulpen van Vérian Care & Clean uit Apeldoorn kregen eind vorig jaar een brief van hun werkgever. Boodschap: ze dalen een paar loonschalen waardoor sommigen tot 20 procent inleverden. Want aan de hoger gekwalificeerde zorg die de medewerkers verlenen is geen behoefte meer. Vérian heeft alleen nog werk voor medewerkers in de laagste functie.

En anders? Tsja, kijk naar Brabant. In december was het Thebe: 2.000 medewerkers in de thuiszorg verloren hun baan door een faillissement van hun werkgever. En in januari raakten 1.750 mensen hun dienstverband kwijt door het bankroet van branchegenoot Pantein-Vivent.

Bij beide zorginstellingen was eerst nog sprake van een „loondump”. Vorig jaar leverden honderden werknemers van Thebe vrijwillig 20 procent van hun salaris in. Vervolgens probeerde het bedrijf nog collectief ontslag aan te vragen, maar het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) weigerde dat, omdat er geen bedrijfseconomische noodzaak was. Daarna vroeg de zorginstelling zijn eigen faillissement aan. Bij Panteint-Vivent gingen de werknemers na het bankroet met een fors verlaagd salaris de WW in.

De omvang van organisaties blijkt geen bescherming te bieden tegen het geldtekort in de zorg. En die nood is hoog bij de verstrekkers van huishoudelijk hulp.

In hun eerste faillissementsverslag zijn de curatoren van Thebe Huishoudelijke Zorg glashelder: de organisatie was eigenlijk ten dode opgeschreven. Het personeel was te duur ten opzichte van wat gemeentes bereid zijn te betalen. En het zijn de gemeentes die sinds 2007 de bulk van huishoudelijke hulp inkopen.

Had Thebe de boel slecht geregeld? Kennelijk wel. Maar nog belangrijker: een groot deel van de misère in de thuiszorg is onafwendbaar. De sector zit al jaren in een neerwaartse spiraal van verschraling, sanering en versobering. „Je ziet dat zorginstellingen hun huishoudelijke hulpen in een aparte bv zetten. Die kan je makkelijker failliet laten gaan”, zegt vakbondsbestuurder Karim Skalli van FNV Zorg & Welzijn. „Daardoor betalen de meest kwetsbare groepen – zorgmedewerkers en cliënten – de rekening van de bezuinigingen in de zorg.”

Exemplarisch voor die teloorgang is de inmiddels beruchte ‘alfahulp’: de goedkope medewerker met weinig rechten die door zorginstellingen als zelfstandige wordt ingehuurd – met weinig afdracht van sociale premies en een beperkte pensioenopbouw. Zulke schijnconstructies hollen de arbeidsvoorwaarden van hulpverleners uit.

De alfahulp leek uit het straatbeeld verdwenen na een verbod in 2010. Maar niets is minder waar. Gemeenten maken dikwijls gebruik van sluiproutes om toch weer met goedkope alfahulpen te kunnen werken. De alfahulp is terug van weggeweest. Met de waarschuwingen hiervoor van de commissie-Kalsbeek een jaar geleden heeft het kabinet niets gedaan. Sterker, regelgeving is zo gewijzigd, dat het inhuren van goedkope zzp’ers weer makkelijker is geworden.

Race naar de bodem

Met ingang van 1 januari bezuinigt het Rijk een slordige 30 procent op het budget van gemeenten. Dat was vorig jaar nog 1,2 miljard en daalt dit jaar naar ruim 800 miljoen. Dat betekent een nieuwe tussensprint in de race naar de bodem.

Adviesbureau Berenschot analyseerde de belangrijkste ontwikkelingen in deze markt. Het resultaat: een vernietigend rapport. De onderzoekers schetsen een sector waarin wangedrag wordt beloond, waarin kaalslag de norm is.

Simpel voorbeeld. Elke zorginstelling die haar personeel lang in dienst houdt, wordt daar direct voor gestraft. Meer dienstjaren betekenen een hoger salaris. Maar de lage tarieven waartegen gemeenten hun zorg inkopen, maakt die situatie onmogelijk. Organisaties als Thebe gaan failliet, omdat ze te veel trouwe ervaren medewerkers hebben. Op elk uur dat zij huishouden, legt de organisatie geld toe. Concurrenten, vooral nieuwkomers, met alleen een arsenaal van jong en goedkoop personeel kan overleven.

Dus proberen zorginstellingen tijdelijke arbeidsovereenkomsten te sluiten, zodat ze telkens kunnen switchen naar die nieuwe jongere en goedkopere kracht. En werknemers met twintig jaar ervaring krijgen doodleuk weer een uitgebreide proeftijd. Maar die los-vaste basis is onwenselijk voor werknemers én voor de hulpbehoevende ouderen die aan een vast gezicht hechten, constateert Berenschot.

Bovendien, zo waarschuwt het adviesbureau, is de hulp in de huishouding „de lichtste vorm van professionele individuele begeleiding”. Als je daar te veel in hakt, loopt de samenleving het risico dat hulpbehoevenden onnodig in hogere en duurdere vormen van zorg terecht komen.

Het enige goede nieuws is dat zorginstellingen de laatste jaren efficiënter zijn gaan werken en dat de uitgaven van overheden aan huishoudelijke zorg zijn gedaald. Die groeiden zo snel dat er in 2007 actie nodig was. Die kan succesvol worden genoemd.

Een nieuwe generatie bedrijven heeft de markt voor thuiszorg betreden. Concerns uit de schoonmaak- en beveiligingsbranche (Asito, CSU, Vebego) hebben sinds 2007, toen de Wet Maatschappelijke Ondersteuning werd ingevoerd en gemeenten de thuiszorg gingen inkopen, de helft van het werk van klassieke AWBZ-instellingen overgenomen. Volgens Skalli van FNV Zorg & Welzijn kampen de oudere instellingen met hetzelfde probleem: hoger gekwalificeerd personeel in hogere salarisschalen. „Maar er wordt alleen maar geconcurreerd op prijs, dus salariskosten.”

Volgens Berenschot hebben de meeste gemeenten allang de bodem bereikt of, erger: zijn ze er al doorheen gezakt. In 28 procent van de aanbestede uren liggen de kosten hoger dan de vergoede tarieven. Jawel, de SP diende in 2008 met succes een initiatiefwetsvoorstel in om een ondergrens in tarieven vast te leggen. Dat werd in 2012 door de senaat aangenomen waardoor gemeenten hun vergoedingen moeten baseren op reële kostprijzen.

Maar na een paar vonnissen van de rechter is gebleken dat juridisch gezien aan die wettelijke eisen wordt voldaan als ten minste één zorginstelling tegen de door de gemeente gevraagde tarieven wil leveren. Daarbij, zo constateert Berenschot, hoeft dus niet te worden aangetoond dat hulpen volgens de cao worden betaald en hoeft ook niet aannemelijk te worden gemaakt dat het betaalde tarief kostendekkend is. Anders gezegd, de wet is niet goed geformuleerd. Zij blijkt een papieren tijger.

Politieke willekeur

Directeur Zion Jongstra van TSN Thuiszorg, dat Berenschot opdracht gaf onderzoek naar huishoudelijke hulpen te doen, spreekt van politieke willekeur bij gemeenten. „Ik begrijp dat het Rijk wil bezuinigen, maar lokaal komen we in een enorme bureaucratie terecht. Elke gemeente doet het weer anders.”

Zeven jaar geleden mocht 20 procent van de thuiszorg in de laagste functieschaal worden gedaan. De andere 80 procent vereiste een hogere schaal met lonen die ruwweg een kwart hoger liggen. Nu is dat precies omgedraaid. Inmiddels vindt de overheid dat slechts voor 20 procent van de thuiszorg een hogere functieschaal met opleiding nodig is.

Jongstra: „De gemeenten willen geen opgeleid personeel meer. Maar aanpassing is bijzonder moeilijk voor zorginstellingen door de rechtsbescherming van medewerkers.”