Wie iets goeds doet, mag daarna iets fouts doen

Het heet moral licensing en het is nu bewezen: mensen gunnen zichzelf immoreel gedrag. Maar waarom? Hebben we na een goede daad een spaartegoed waar we even op kunnen teren?

De inzamelingsactie van het Glazen Huis haalde vorig jaar een recordbedrag op. foto ANP/KIPPA/SANDER KONING

Stel: je hebt net boodschappen gedaan in een biologische, duurzame supermarkt. Dan kun je daarna wel weer valsspelen bij een spelletje. Of je hebt net gezegd dat je op Obama zou stemmen en dan kies je bij een sollicitatieronde de blanke kandidaat, ongeacht zijn kwalificaties.

Moral licensing noemen psychologen dit verschijnsel: mensen zijn na een goede daad meer geneigd om iets slechts te doen. Ze staan dat zichzelf dan toe, ze geven zichzelf als het ware een ‘morele vergunning’ om iets immoreels te doen.

Of doe je eerst een voet tussen de deur?

En ja, zo werkt het echt, laat een team van Tilburgse psychologen zien in een artikel dat ze online publiceerden in Personality and Social Psychology Bulletin. De psychologen voerden een meta-analyse uit over alle onderzoeken naar moral licensing die ze konden vinden, gepubliceerd en ongepubliceerd.

Van die 91 studies, met in totaal ruim zevenduizend proefpersonen, analyseerden ze de gegevens opnieuw. En ze troffen het ironische effect inderdaad aan – het is geen groot effect, schrijven ze, maar het is er wel degelijk.

Daar was onduidelijkheid over. Want het idee van moral licensing klinkt wel leuk, maar er is ook veel onderzoek waaruit blijkt dat mensen graag consistent zijn in hun gedrag. Daar is bijvoorbeeld de voet-tussen-de-deur-techniek op gebaseerd: als je mensen iets wilt laten doen, moet je ze eerst iets kleins vragen, en daarna pas komen met het vergelijkbare, maar grotere verzoek waar het om te doen was.

Op grond van die behoefte aan consistent gedrag zou je verwachten dat mensen juist geneigd zijn om na iets goeds eerder nóg iets goeds te doen, omdat ze zichzelf dan als een goed, moreel persoon zien – en zich graag zo aan de buitenwereld presenteren.

Daar komt nog bij dat het ironische effect niet gemakkelijk aan te tonen is: niet bij alle onderzoekers die het probeerden te bestuderen, rolde het daadwerkelijk uit hun experimenten.

Vorig jaar beschreven dezelfde Tilburgse psychologen bijvoorbeeld nog in Social Psychology hoe ze vergeefs hadden geprobeerd om drie eerdere moral licensing-experimenten van andere onderzoekers te repliceren. Daarom was het tijd voor die meta-analyse.

Sparen voor immoreel gedrag

De Tilburgers ontdekten dat er wel sprake was van de invloed van publicatie: het moral licensing-effect was groter in experimenten die gepubliceerd waren dan in experimenten die niet in een wetenschappelijk tijdschrift waren beland.

Dat kan komen doordat redacties van wetenschappelijke tijdschriften vaak niet erg geïnteresseerd zijn in onderzoek ‘waar niets uitkomt’. Dan worden dus alleen de zogenaamd ‘gelukte’ experimenten gepubliceerd, wat een vertekend beeld geeft; daardoor leek het effect wellicht groter dan het is.

De volgende stap is nu: onderzoeken onder welke omstandigheden mensen meer en minder geneigd zijn zichzelf immoreel gedrag te gunnen.

En verklaren hoe het precies komt. Geeft moreel gedrag mensen het gevoel dat ze een soort spaartegoed hebben waarvan ze immoreel gedrag kunnen bekostigen?

Of hebben mensen na een goede daad het idee dat ze hun doel, ‘een goed mens zijn’, weer even vervuld hebben en dat ze zich nu op andere doelen kunnen richten – minder morele doelen? Die verklaringen zijn wel genoemd, maar het zou ook nóg anders kunnen zitten.