Vlieg, gedachte

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Of hij hier geboren is, vraag ik aan Michael, de metselaar die de stenen op mijn oprit recht legt – door het dooien en weer opvriezen van de laatste weken is alles schots en scheef getrokken. Hij ziet er Italiaans uit, met zijn ravenzwarte haar en olijfkleurige huid. Hij vertelt me dat hij hier geboren en getogen is, maar dat zijn familie van oorsprong uit een klein bergdorpje in Italië komt: Pettoranello del Molise.

„Net als 10 procent van alle mensen uit Princeton”, voegt hij eraan toe.

Hoor ik dat goed, 10 procent? Allemaal uit dat ene dorpje in het midden van Italië? Het was me wel opgevallen dat ik hier veel Italiaanse achternamen zag, en vaak ook dezelfde.

„Allemaal metselaars en steenhouwers”, zegt hij, terwijl hij met een beitel een hoekje van een steen afhakt. „Mijn familie heeft de universiteit eigenhandig gebouwd. Steen voor steen.”

Rond 1860 werd een groot deel van de bevolking van het middeleeuwse dorp verscheept om de nep-gotische torens op de campus te bouwen, inclusief de gebeeldhouwde waterspuwers. De lokale steengroeven moesten daarvoor worden gemijnd.

Princeton ging op zoek naar mensen met ervaring en trof die aan in Pettoranello. Ze gingen allemaal bij elkaar wonen in een wijk achter de kerk. Princetons eigen Little Italy. De kapper van de kinderen woont er en de eigenaar van de Italiaanse supermarkt waar ik zo graag kom. De verse ravioli en pesto liggen naast de tiramisu en de biscotti, alles vanzelfsprekend zelfgemaakt. Ze hebben de beste olie en van die leuke buikige flesjes Limoncello.

Het contact met het dorp van oorsprong, waar nog maar een paar honderd mensen wonen, wordt intensief onderhouden. Pettoranello is een zogeheten zusterstadje van Princeton. Zo gaan de kinderen van het koor van de middelbare school er regelmatig heen en komt hun koor naar ons.

„Jaren geleden, toen mijn zoon in het koor zong, ging ik voor de uitvoering met hem mee naar Pettoranello”, vertelt mijn metselaar. „In het dorp is geen hotel, dus we sliepen in een motel in het dal. Maar het had een prachtige marmeren vloer, mooier dan in de duurste hotels in New York. Allemaal handwerk van de beste klasse. De dag van het optreden gingen we met een bus omhoog, naar de kerk, waar alle kinderen samen gingen zingen. Veel van die kinderen hadden dezelfde achternaam als ik. De neefjes en nichtjes die destijds achterbleven. Daar stond mijn Gennaro, in een wit overhemd met een strikje. Omdat hij zo klein is, stond hij op de eerste rij. En toen gingen ze zingen. Va Pensiero, het Slavenkoor uit Verdi’s opera Nabucco.”

„En weet je wat er gebeurde?”, zegt hij. „Alle ouders stonden op en begonnen zachtjes mee te zingen, van begin tot eind.” Hij legt een steen neer en kijkt me vragend aan. „Ken je die opera?”

Plotseling begint hij te zingen, deze metselaar, midden op mijn oprit. Zijn beitel fungeert als dirigeerstok. Ontroerd luister ik naar dit lied van de heimwee. Van de Joden, verbannen uit hun land door de Babylonische koning. Van de Italianen die 150 jaar geleden hun bergdorpje verlieten, een oceaan overstaken en hier een nieuw leven opbouwden, tussen de middeleeuwse torens die hen zo aan huis deden denken. „Vlieg, gedachte, op gouden vleugels; strijk neer op glooiingen en heuvels, waar de zoete luchten van onze geboortegrond zacht en mild geuren!”