‘Ik verzet me tegen het beeld van de universiteit als een lopende band’

Minister van Onderwijs (PvdA)

Kritiek van studenten is welkom, zegt de minister. „Maar ze kunnen niet de raad van bestuur kiezen.”

Inspraak van studenten, is dat met het bestuur van de universiteit om de tafel over het onderwijs in 2035, of vergaderen over de koffieautomaat? Jet Bussemaker, minister van Onderwijs (PvdA), wil de rol van medezeggenschap in het hoger onderwijs weer helder maken. „Maar je kunt niet alles afdwingen met een wet. De bestuurscultuur moet veranderen.”

Bussemaker sloot gisteren een toernee in het hoger onderwijs af. Ze sprak met studenten en docenten, ook over de bezetting en thema’s van het Maagdenhuis. „Ik herken het onbehagen”, zegt ze ’s avonds. „Medezeggenschap is nu te vaak gevangen in afvinklijstjes. Wat in de wet minimumeisen zijn, wordt bij universiteiten als maximum geïnterpreteerd.”

Sinds 1997 is bijna niets gebeurd, zegt ze, toen instemmingsrecht in het hoger onderwijs deels werd omgezet in adviesrecht, en medebestuur deels medezeggenschap werd. Ze wijst op haar wetten: instemmingsrecht voor studenten op hoofdlijnen van de begroting – onderdeel van het sociaal leenstelsel. Een voorstel tot versterking van medezeggenschap ligt bij de Raad van State.

Bussemaker nodigde bezetters van het Maagdenhuis uit op haar ministerie. Ze zal het pand vooralsnog niet bezoeken. Wel reageert ze vandaag in een Kamerbrief op de discussie over medezeggenschap, rendementsdenken en de kleine talenstudies.

Is de universiteit een bedrijf of een gemeenschap die studenten mede vormgeven?

„De universiteit is geen bedrijf. Een academische organisatie kan niet topdown worden bestuurd. Daar moet dialoog een continu proces zijn. De universiteit moet zich niet opstellen als koekjesfabriek, maar dan mag de student zich ook niet gedragen als consument die in de schappen kijkt naar een grappige docent. De universiteit mag voor uitdagend onderwijs vragen dat studenten zich voorbereiden en verdiepen.”

Welke elementen van medezeggenschap van vóór 1997 zou het hoger onderwijs nu kunnen gebruiken?

„Het besef dat je de academische gemeenschap met elkaar maakt. Ik zie tendensen waarin de afstand tussen studenten en besturen heel groot is geworden. Onwenselijk is als besturen geneigd zijn zich vooral op de buitenwereld te richten, met colleges van burgemeesters en bedrijven, in plaats van op de eigen instelling. Ik vind dat studenten vooral meer betrokken moeten zijn bij het beleid van hun opleiding. Bestuurders zouden blij moeten zijn met gratis kritiek: je hebt geen dure consultant nodig.”

‘Wij praten, maar niemand luistert’, zeggen studenten.

„Dat neem ik heel serieus. Maar dat is wat anders dan dat studenten altijd hun zin zullen krijgen. Dat is een romantisch beeld van nog voor de jaren 70. Het kan niet zo zijn dat studenten het college van bestuur kiezen. Een universiteit besturen is een professionele aangelegenheid. Studenten mogen meebeslissen, maar kunnen dat niet overnemen. Veel inspraak leidde in de jaren 90 tot veel bureaucratie. Soms moet je ook gewoon een beslissing kunnen nemen.”

De UvA krijgt een student-lid in het bestuur. Wat vindt u daarvan?

„Een interessant experiment, maar ingewikkeld met bevoegdheden, want de medezeggenschap controleert het bestuur. Ik denk wel dat een student-assessor het contact tussen studenten en bestuur kan verbeteren. Het gaat me nu te ver dit op elke universiteit in te voeren. Universiteiten moeten zelf kijken wat bij hun instelling past. Dat kan ook de zeggenschap van opleidingscommissies zijn. Tegelijk constateer ik dat veel medezeggenschapsraden worstelen om studenten te vinden.”

Bent u het eens met kritiek op rendementsdenken?

„Ik verzet me zeer tegen het beeld van studenten die zo snel en met zo veel mogelijk moeten afstuderen. Het is geen lopende band. Het experiment met prestatieafspraken over onder meer studiesnelheid en het terugdringen van uitval is geen rendementsdenken, maar gaat ook over kwaliteit. Die moet altijd voorop staan. Rendement is geen doel, maar uitkomst van verbetering van de kwaliteit van onderwijs.”

Hoe staat u tegenover het mogelijk verdwijnen van kleine talenstudies?

„Talen moeten breed beschikbaar zijn, dat is ook een kwestie van beschaving. Maar ik heb liever één plek waar je Noors kunt studeren als onderdeel van Scandinavistiek, dan drie plekken waar je twee studenten hebt op losse opleidingen.”