Hoe meer academici, hoe beter. Toch?

Studenten en docenten demonstreren in het hele land onder meer tegen het rendementsdenken in het hoger onderwijs. Wat is dat eigenlijk?

Illustratie Anne van Wieren

‘Rendementsdenken’ is nu al het meest verguisde woord van 2015. Jet Bussemaker, de persoon die al ruim twee jaar het Nederlandse onderwijsbeleid bestiert, zei donderdag in Nieuwsuur dat ze „af wil van het rendementsdenken”. De Telegraaf schreef dit weekend in een redactioneel commentaar dat het rendementsdenken in het onderwijs is doorgeslagen. En in Buitenhof afgelopen zondag buitelden SP-Kamerlid Jasper van Dijk en zijn D66-collega Paul van Meenen over elkaar heen in het uiten van hun afkeer van het woord.

Maar wat is rendementsdenken? Waarom is het zo in zwang? En wat zijn de alternatieven? In het debat wordt het niet altijd duidelijk.

Rendementsdenken kun je breed opvatten, maar in deze context betekent het dat succes wordt gemeten aan de hand van kwantiteit. Hoe meer publicaties, hoe succesvoller een onderzoeker. Hoe meer studenten, hoe beter een opleiding. Dat idee kwam op in de jaren tachtig, als onderdeel van het ‘new public management’. Deze managementfilosofie wilde het model van de private sector toepassen op de publieke sector, om efficiënter te werken.

Binnen de universiteiten kun je onderscheid maken tussen rendementsdenken in onderzoek en in onderwijs.

Voor het eerste was een jaar geleden al wat aandacht. Toen kaartte een coalitie van bezorgde wetenschappers genaamd Science in Transition onder andere de publicatiedruk aan de universiteit aan. Omdat onderzoekers worden gewaardeerd op basis van hun aantal publicaties, doen zij hun best dat aantal op te krikken. En dat komt de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede, vertelt Huub Dijstelbloem, hoogleraar Filosofie van Wetenschap en Politiek aan de UvA en een van de oprichters van Science in Transition. „Wetenschappers knippen hun onderzoeken op of schrijven samen met anderen artikelen om maar een hoog publicatiecijfer te krijgen.”

De kritiek op new public management slaat nu over naar het onderwijs. De Maagdenhuisbezetters gebruiken het woord ‘rendementsdenken’ ongeveer om de zin. In hun kielzog volgen nu de docenten die zich solidair hebben verklaard.

Zoveel mogelijk hoogopgeleiden graag

De universiteit wordt gezien als een bedrijf en de studenten als producten, luidt hun klacht.

„Zoveel mogelijk studenten moeten door de worstenfabriek worden geloodst”, zegt Ewald Engelen, hoogleraar Financiële Geografie aan de UvA en sympathisant van de bezetters. „Vanaf de jaren negentig zie je dat de ‘output’ moet worden gemaximaliseerd. Dat leidt tot een machinale productie van diploma’s.”

Vanwaar deze wens om zoveel mogelijk jongeren een universitair diploma te bezorgen?

Daarvoor moeten we terug naar 2004. De Nederlandse overheid spreekt de ambitie uit om in 2010 50 procent van de bevolking hoogopgeleid te krijgen. Dit percentage is stilletjes verworpen, maar de achterliggende gedachte niet: hoe meer hoogopgeleiden, hoe beter. Om ervoor te zorgen dat deze studenten hun opleiding efficiënt doorlopen, prikkelt de overheid universiteiten om het studierendement te vergroten.

Een belangrijk middel daarvoor is het financieringssysteem. De universiteiten krijgen onder andere geld op basis van het aantal afgestudeerden en het aantal ingeschreven studenten dat hun studie nominaal doorloopt. Afhakers en langstudeerders zijn dus zeer onvoordelig voor de universiteit: ze leveren geen geld op.

Daarnaast heeft het vorige kabinet in 2010 de ‘prestatieafspraken’ geïntroduceerd. Universiteiten krijgen extra geld op basis van afspraken met het kabinet. De afspraken gaan zowel over onderwijskwaliteit als studierendement. Dat laatste houdt in dat universiteiten ervoor moeten zorgen dat de studie-uitval wordt beperkt en dat genoeg studenten tijdig afstuderen.

Om dat te bewerkstelligen nemen de universiteiten weer maatregelen om studenten te laten voortmaken. De ene opleiding na de andere voert een bindend studieadvies in. Dat betekent dat studenten in hun eerste jaar genoeg punten moeten halen – anders mogen ze de studie niet afmaken. Zo kunnen universiteiten de flierefluiters uit het programma filteren.

De Erasmus Universiteit probeert iets anders: het ‘jaarklassensysteem’. Studenten kunnen een 5 met een 7 compenseren, zolang ze maar gemiddeld een voldoende halen.

Docenten geven dan maar een genadezesje

Een niet-officiële manier om aan de rendementseisen te voldoen is om simpelweg de eisen te verlagen. Als docenten de tentamens makkelijker maken of studenten met onvoldoendes toch een ‘genadezesje’ geven, verminderen ze de studievertraging en –uitval.

Dit mag eigenlijk niet, blijkt uit een zinnetje in het Hoofdlijnenakkoord over de prestatieafspraken dat het ministerie in 2011 sloot met de universiteiten: ‘Hierbij gelden als randvoorwaarden dat de verbetering van het rendement niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en het eindniveau van de opleidingen’.

Maar dat is onzin, zegt Engelen: de kwaliteit lijdt onvermijdelijk onder de nadruk op studierendement. „Zwakkere studenten geef je een 6 in plaats van een 5, zodat ze wel een vak halen. Dat is een brede tendens.”

Ook Ad Verbrugge, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Amsterdam en directeur van Beter Onderwijs Nederland, ziet dit gebeuren. „Het is gewoon de praktijk dat docenten studenten eerder laten slagen. De hele cultuur is van dien aard dat we op die manier zijn gaan nadenken: vakken moeten geen struikelblokken meer zijn, dan zijn ze ‘niet studeerbaar’.”

Ook op andere manieren werkt het rendementsdenken kwaliteitsverlies in de hand, zegt Verbrugge. „Er worden bijvoorbeeld meer studenten in één college gestopt of vakken worden samengevoegd.” Het is eigenlijk simpel, zegt hij: als er veel meer studenten komen en het geld voor onderwijs niet toeneemt, daalt de kwaliteit. Er zijn dan immers minder docenten per student, met massaler onderwijs en minder individuele begeleiding als gevolg.

Het is tijd voor een breed debat

De klachten zijn duidelijk, en meer dan de laatste jaren lijken beleidsmakers die te beamen. Maar wat zijn de alternatieven?

De Maagdenhuisbezetters willen ‘inputfinanciering’ van universiteiten: niet op basis van diploma’s of nominaal studerenden, maar op basis van studentenaantallen.

Verbrugge is radicaler. „Je moet als universiteit kijken wat je belangrijk vindt, welke kwaliteit daarvoor nodig is en dán hoeveel dat kost.”

Maar eigenlijk moet er een bredere discussie gevoerd worden, zegt hij. „Je moet je afvragen: waarom moet eigenlijk de halve bevolking hoogopgeleid zijn? Zijn sommige universitaire studenten niet beter af op het hbo? En is de kwaliteit van de instroom uit het voortgezet onderwijs wel hoog genoeg?”

Voor een inhoudelijke discussie over rendementsdenken is veel animo, bleek vorige week toen de UvA voor bestuur, studenten en medewerkers een debat organiseerde. De collegezaal was stampvol en de discussie duurde ruim twee uur. Verdienste van de studenten, zegt Huub Dijstelbloem, die het debat leidde. „Het heeft ons allemaal even gekost om uit te zoeken hoe je hun eisen moet begrijpen. Maar nu snap ik het: die eisen staan ver van de realiteit af, maar dat is precies de bedoeling. De studenten tonen een spiegel, en maken daardoor ruimte voor debat.”