Hoe arbitrair zij ook is, verboden is zo’n grens niet

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: grensarbeid en detachering.

Werknemers in Nederland die op meer dan 150 kilometer over de grens wonen, krijgen korting (tot 30 procent) op hun inkomstenbelasting. Ze hoeven niet aan te tonen dat ze extra kosten maken.

De fiscale ruggensteun is bedoeld voor werkgevers om eventuele krapte op de Nederlandse arbeidmarkt gemakkelijker op te kunnen vangen. De achterliggende gedachte is dat een werknemer bij een afstand van meer dan 150 kilometer extra woonkosten heeft, omdat hij niet dagelijks zal pendelen.

Oneerlijk, vond C.G. Sopora, die in Nederland werkt en in Duitsland woont, maar wel op minder dan 150 kilometer van de grens. Daardoor liep hij het automatische belastingvoordeel mis. De Belastingdienst verwierp zijn bezwaar tegen die ongelijke behandeling.

In hoger beroep legde de Hoge Raad de kwestie voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Want: is die kilometergrens wel verenigbaar met het vrije verkeer van werknemers tussen de EU-landen? Of is er sprake van een verkapte vorm van (verboden) discriminatie?

Het Hof onderkent in zijn uitspraak vorige week dat de kilometergrens „noodzakelijkerwijs een zekere grofheid” kent. Maar de EU kan lidstaten niet verbieden regels op te stellen die „gemakkelijk kunnen worden gehandhaafd en gecontroleerd”. Dus hoe arbitrair de limieten (150 kilometer en die 30 procent) ook mogen zijn, ze leveren nog geen verboden discriminatie of belemmering van het vrij verkeer op.

Dat zou, aldus het Hof, anders zijn als zou blijken dat de belastingvrijstelling „systematisch aanleiding geeft tot duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extra kosten”. Kortom, bij een run op Nederlandse banen door buitenlanders die op meer dan 150 kilometer van de grens wonen. Het is aan de rechter om dat te toetsen. Maar daarmee krijgt Sopora zijn verlangde belastingvoordeel niet.