Column

Frequenteert Philips belastingparadijzen?

Philips staat stil. Het jaarverslag van het licht- en technologiebedrijf geeft de vertrouwde informatie, maar mist vernieuwing. Dus lees je in het verslag over 2014 nog steeds interessante weetjes, zoals dat 30 procent van de nieuwe werknemers in dienst komt na aanbeveling van bestaande personeelsleden. En dat 77 procent van de werknemers volgens intern onderzoek positief oordeelt over de snelheid van besluitvorming, al decennia hét onderwerp waarover de Philips-topmannen te klagen hebben. Het gaat hen altijd te langzaam. Maar wat vindt de andere 23 procent? Gaat het hen wél te langzaam? Of juist te snel?

Deze gegevens over ‘zachte’ onderwerpen, zoals personeelsbeleid en duurzaamheid, combineert Philips in zijn verslag met de ‘harde’ financiële informatie. Deze sandwichformule is inmiddels de favoriete vorm van verslaggeving in het Nederlandse bedrijfsleven. Al houd ik mijn twijfels over de effectiviteit daarvan. Vorm en inhoud afstemmen op je lezerspubliek is een uitgeverswijsheid. Snakken financiële analisten met deze sandwich wél naar Philips’ ambities over duurzaamheidsbeleid en kijken actiegroepen nu reikhalzend uit naar de marktuitdagingen in China uit de financiële hoofdstukken?

Philips en andere bedrijven kunnen zich op zeker twee manieren verbeteren. Kijk naar DSM, dat jaarlijks het hoofdstuk ‘Wat toch fout ging’ in zijn verslag opneemt. En kijk naar NS, dat de nieuwe norm heeft ontwikkeld om de maatschappelijke functie van een onderneming met cijfers te staven. Een onderneming is meer dan een verzameling merknamen en beurskoersen. Voegt een bedrijf iets toe aan de maatschappij? Voor het pseudonutsbedrijf NS is dat makkelijker op papier te krijgen dan voor Philips, maar ook verlichting, technologie en gezondheidszorg hebben maatschappelijke betekenis.

Hier staat Philips stil. Elk jaar heeft het concern in zijn jaarverslag een paragraaf met als titel ‘Economische indicatoren’. Daar staat een opsomming met de vijf meest belanghebbenden: de toeleveranciers (13,2 miljard euro klandizie), medewerkers (5 miljard euro loonsom), aandeelhouders (729 miljoen euro dividend), het saldo van betaalde en ontvangen rente aan obligatiebeleggers en banken (251 miljoen euro) en de betaalde winstbelasting: 26 miljoen euro. Simpele cijfers, maar zonder de samenhang die NS de afgelopen twee jaar gaf.

Twee belanghebbenden springen eruit. Van de bestedingen bij toeleveranciers gaat 64 procent naar mondiaal actieve aanbieders. De productieketen van multinational Philips is dus niet een aanschakeling van lokale opdrachtnemers, maar van een (waarschijnlijk) klein gezelschap multinationale partijen. Mondialisering zie je niet alleen in de eindproducten in de (web)winkels, maar ook in de tussenschakels in het productieproces.

De belanghebbende die aan het kortste eind trekt, als het om winstbelasting gaat, is de fiscus. Wij dus. De samenleving. Zo karig als de 26 miljoen is het in jaren niet geweest. In voorgaande jaren ging het om 497 miljoen (2010), 283 miljoen (2011), 185 miljoen (2012) en 466 miljoen (2013). Ja, het bedrijfsresultaat in 2014 is lager. Dus ook de winstbelasting. Of is Philips een zondaar die belastingparadijzen frequenteert? In een aparte verklaring ontkent Philips dat.

Uit de toelichting in het jaarverslag blijkt wel, voor zover je als lezer deze complexe materie kunt snappen, dat Philips meer winst maakt in landen met lage belastingtarieven en meer verliezen lijdt in landen met hoge tarieven. Maar er is nog iets anders. Overheden kijken naar bedrijven voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling. En geeft daar fiscale steun voor, zoals de innovatiebox in Nederland. Van zulke regelingen profiteert Philips met volle teugen.