Opinie

    • Jutta Chorus

De zwarte coltrui van de opstand

Elke revolutie heeft zijn denkers. De Franse Revolutie had Montesquieu. Mei ’68 had Sartre en Foucault. In het bezette Maagdenhuis stond Willem Schinkel deze week college te geven. De Rotterdamse socioloog was halsoverkop naar Amsterdam gereisd.

Zijn gehoor was niet zo groot, zeventig, tachtig demonstranten, en hij gaf ze onderuit de zak. „Jullie hebben een politieke opstand ontketend”, zei hij. „Jullie hebben meer bereikt dan in tien jaar meepraten. Maar jullie eisen schieten alle kanten op. Het behoud van een gebouw? Kom op!”

Schinkel zag een mismatch tussen het radicale gebaar van de bezetting en de traditionele eisen. Was hier een groep witte middenklassestudenten bezig hun privileges zeker te stellen? Het grote verhaal ontbrak, dat wierp hij hun voor de voeten. En zolang ze geen leider hadden, zou het nooit wat worden.

De aanwezigen waren in verwarring en vervoering. Zij hadden de deuren van het bestuursgebouw opengebeukt. Zij hadden de bestuursvoorzitter weggehoond. En nu kwam deze man vertellen dat ze nog niet ver genoeg waren gegaan?

Schinkel stond voor ze, zwaaiend met zijn armen om zijn radicale democratie aan de man te brengen. Alleen uit polarisatie, uit discussie, kan een goed idee worden geboren.

Zelfs over zijn kleding, zei hij me na afloop, had hij nagedacht. Zou hij zich studentikoos-shabby kleden? Zou hij een pak aantrekken? Maar hij houdt niet van pakken. „Ik koos iets waarin ik me lekker voel en waarmee ik toch de goede distantie kan houden.” Het werd een zwarte coltrui op een zwarte broek. „Het kostuum van de Franse intellectueel, de elegantie van Michel Foucault.” De filosoof was in 1968 ook naar Parijs gekomen om de studenten aan te moedigen te experimenteren met hun nieuwe vrijheid.

Jarenlang schreef Schinkel over nieuwe vormen van democratie. Nu stond hij voor een groep die zijn ideeën wel eens zou kunnen belichamen. „Het gaat om de contestatie van de macht”, zei hij. En het is toch anders om de macht in je eentje uit te dagen in een boek of in een collegezaal, dan met een hele faculteit of wie weet universiteit tegelijk.

Ja, in zekere zin is hij op zoek naar een gehoor, zei hij later. In de Maagdenhuisbezetters vermoedt hij een ‘collectieve intelligentie’ waarin werkelijke veranderingen tot stand kunnen worden gebracht.

Na zijn donderpreek was Willem Schinkel als bij toverslag verdwenen. Op alle verdiepingen van het Maagdenhuis kwam ik studenten tegen die hem zochten. Wie was die man in het zwart? Waar was hij ineens gebleven?

„Hij dwingt ons afstand te nemen van ons eigen denken”, zei politicologiestudent Jaap Oosterwijk, met zijn lok en rode sjaal een van de gezichten van het protest. Hij was diep onder de indruk van wat hij had gehoord. Maar een studentenleider? Nee, die hadden ze niet en die wilden ze niet.

Gistermiddag was Schinkel weer in het Maagdenhuis. En hij was de enige niet. Filosoof Huub Dijstelbloem is geweest. Financieel geograaf Ewald Engelen. Als een van hen de Montesquieu is van de Nieuwe Universiteit, wie wordt dan de Robespierre?

    • Jutta Chorus