De halve jeugd moest studeren, maar wel efficiënt

Bij het Maagdenhuisprotest ligt het ‘rendementsdenken’ in het onderwijs onder vuur. Waar komt dit beleid vandaan?

Een bezetter van het Maagdenhuis maakt een spandoek. Voor morgen is een nationale actiedag uitgeroepen. Foto Olivier Middendorp

‘Rendementsdenken’ is nu al het meest verguisde woord van 2015. Jet Bussemaker, sinds twee jaar minister van Onderwijs, zei donderdag in Nieuwsuur dat ze „af wil van het rendementsdenken”. De Telegraaf schreef dit weekend in een redactioneel commentaar dat het rendementsdenken in het onderwijs is doorgeslagen. En in Buitenhof buitelden SP-Kamerlid Jasper van Dijk en zijn D66-collega Paul van Meenen afgelopen zondag over elkaar heen in het uiten van hun afkeer van het woord.

Rendementsdenken is breed op te vatten, maar in deze context betekent het dat succes wordt gemeten aan de hand van kwantiteit. Hoe meer publicaties, hoe succesvoller een onderzoeker. Hoe meer studenten, hoe beter een opleiding. Dat idee kwam op in de jaren 80, als onderdeel van het ‘new public management’. In deze managementfilosofie werd het model van de private sector toegepast op de publieke sector, om efficiënter te werken.

Binnen de universiteiten is onderscheid te maken tussen rendementsdenken in onderzoek en in onderwijs. Voor het eerste was een jaar geleden al wat aandacht. Toen kaartte een coalitie van bezorgde wetenschappers genaamd Science in Transition onder meer de publicatiedruk aan de universiteit aan. Omdat onderzoekers worden gewaardeerd op basis van hun aantal publicaties, doen zij hun best dat aantal op te krikken.

En dat komt de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede, vertelt Huub Dijstelbloem, hoogleraar Filosofie van Wetenschap en Politiek aan de UvA en een van de oprichters van Science in Transition. „Wetenschappers knippen hun onderzoeken op of schrijven samen met anderen artikelen om maar een hoog publicatiecijfer te krijgen.”

Deze kritiek slaat nu over naar het onderwijs. De Maagdenhuisbezetters gebruiken het woord ‘rendementsdenken’ ongeveer om de zin. In hun kielzog volgen de docenten die zich solidair hebben verklaard. De universiteit wordt gezien als een bedrijf en de studenten als producten, is hun klacht.

Machinale productie

„Zoveel mogelijk studenten moeten door de worstenfabriek worden geloodst”, zegt Ewald Engelen, hoogleraar Financiële Geografie aan de UvA en sympathisant van de bezetters. „Vanaf de jaren 90 zie je dat de ‘output’ moet worden gemaximaliseerd. Dat leidt tot een machinale productie van diploma’s.”

De wens om zoveel mogelijk jongeren een universitair diploma te bezorgen voert ten dele terug naar 2004. De overheid spreekt dan de ambitie uit om in 2010 50 procent van de bevolking hoogopgeleid te krijgen. Dit percentage is stilletjes verworpen, maar de achterliggende gedachte niet: hoe meer hoogopgeleiden, hoe beter. Om ervoor te zorgen dat studenten hun opleiding efficiënt doorlopen, prikkelt de overheid universiteiten om het studierendement te vergroten.

Een belangrijk middel daarvoor is het financieringssysteem. De universiteiten krijgen onder andere geld voor het aantal afgestudeerden en het aantal studenten dat hun studie doorloopt binnen de tijd die ervoor staat. Afhakers en langstudeerders worden zo zeer onvoordelig voor de universiteit.

Het genadezesje

Daarnaast heeft het vorige kabinet in 2010 ‘prestatieafspraken’ geïntroduceerd over onderwijskwaliteit en studierendement. Dat laatste houdt in dat universiteiten studie-uitval moeten zien te beperken en genoeg studenten tijdig laten afstuderen. Om dat te bewerkstelligen nemen de universiteiten weer maatregelen om studenten te laten voortmaken, zoals een bindend studieadvies. De Erasmus Universiteit probeert iets anders: het ‘jaarklassensysteem’. Studenten kunnen onder meer een 5 met een 7 compenseren, zolang ze gemiddeld een voldoende halen.

Een niet-officiële manier om aan de rendementseisen te voldoen is om simpelweg de eisen te verlagen: tentamens makkelijker maken of genadezesjes uitdelen. Dit mag eigenlijk niet, blijkt uit een zinnetje in het Hoofdlijnenakkoord over de prestatieafspraken dat het ministerie in 2011 sloot met de universiteiten: ‘Hierbij gelden als randvoorwaarden dat de verbetering van het rendement niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en het eindniveau van de opleidingen’.

Maar Ad Verbrugge, hoogleraar Wijsbegeerte aan de VU Amsterdam en voorzitter van Beter Onderwijs Nederland, ziet het wel degelijk gebeuren. „De hele cultuur is van dien aard dat we op die manier zijn gaan nadenken: vakken moeten geen struikelblokken meer zijn, dan zijn ze ‘niet studeerbaar’.” Ook op andere manieren werkt het rendementsdenken kwaliteitsverlies in de hand, zegt hij. „Er worden bijvoorbeeld meer studenten in één college gestopt of vakken worden samengevoegd.”

Bredere discussie

De klachten zijn duidelijk, en meer dan de laatste jaren lijken beleidsmakers die te beamen. Maar wat zijn de alternatieven? De Maagdenhuisbezetters willen ‘inputfinanciering’ van universiteiten: op basis van studentenaantallen. Verbrugge is radicaler. „Je moet als universiteit kijken wat je belangrijk vindt, welke kwaliteit daarvoor nodig is en dán hoeveel dat kost.”

Maar eigenlijk moet er een bredere discussie komen, zegt hij. „Je moet je afvragen: waarom moet eigenlijk de halve bevolking hoogopgeleid zijn? Zijn sommige universitaire studenten niet beter af op het hbo? En is de kwaliteit van de instroom uit het voortgezet onderwijs wel hoog genoeg?”