Column

Schwabberbal

De afgelopen tijd figureerde Lasse Schöne in een reclamefilmpje voor de voetbalzender Fox Sports. We zien de middenvelder van Ajax klaarstaan om een vrije trap te nemen in een competitieduel.

Door een montagetruc lijkt het of Schöne vanaf het veld het woord richt tot de televisiekijker. Hij smeert ons achteloos een abonnement aan en zegt: „Ik ga voor de linkerbovenhoek.”

Vlekkeloze vrije trap. Zoals beloofd, linkerhoek.

Bij elke vrije trap van Schöne denk ik aan die reclame. Aan de geperfectioneerde techniek, aan zijn voorspelling.

Tijdens PSV-Ajax zit Schöne op de bank, tot hij in de tweede helft mag invallen voor de geblesseerde spits Milik. In de 75ste minuut krijgt Ajax een vrije trap op grote afstand van het doel. PSV stelt geen muurtje op om keeper Zoet vrij zicht te geven.

Schöne staat klaar bij de bal, Ricardo van Rhijn ook. Ze hebben een onderonsje. Het is of je alles kunt verstaan.

Ik hoor Nederlands met een Deense tongval.

Schöne: „Ze maken geen moertje.”

Van Rhijn: „Precies. Jij of ik?”

Schöne: „Ikke.”

Van Rhijn: „Chill.”

Schöne neemt afstand van de bal. Net als bij andere vrije trap-specialisten is er geen spoor van twijfel op het gezicht te bespeuren. Schöne wekt de indruk dat zijn schoten zelfs vanaf het parkeerterrein buiten het stadion nog in het doel belanden.

De Deen handelt altijd hetzelfde bij vrije trappen. Steeds gaan zijn ogen van de bal naar het doel en de keeper. En weer terug. De situatie wordt gescand en opgeslagen. Afstand, wind, lichtinval, bal, keeper, gras.

Schöne kijkt even in de camera: „Ik ga voor de lat.”

Vanaf dertig meter van het doel vertrekt de bal na een secure trap van Schöne. De bal vliegt. Hij draait nauwelijks op zijn as. Wie goed kijkt kan de merknaam lezen.

Vlekkeloze vrije trap. Zoals beloofd, op de lat.

PSV is beter en valt aan, Ajax is stug en speelt op de counter. Schöne pendelt onrustig heen en weer over het veld. Weer een vrije trap voor Ajax, ongeveer op dezelfde plek. Schöne staat bij de bal. Weer een onderhoud met Van Rhijn. Ze zien dat PSV een lullig muurtje van drie mannen bouwt.

Van Rhijn: „Jij of ik?”

Schöne: „Ikke. Lekkere schwabberbal.”

Hij legt aan voor het schot. De bal vliegt op de muur af, raakt het hoofd van een speler in de muur en valt in het doel.

Schöne juicht. In vertraging bekijk ik zijn haar dat als een hanekam recht overeind blijft staan. Natuurlijk, Schöne is blij voor zijn club. Zelf had hij de bal liever zonder tussenkomst in het doel zien vliegen.

Een specialist verdraagt geen imperfectie.