Onevenwichtige visie van Erik Whien reduceert ‘Oom Wanja’ tot een reeks uitstekend gespeelde particuliere verdrietjes

‘Tsja’. Daar is Oom Wanja, pas net jonge man af, de belofte nog voelbaar, maar buiten bereik. Ongewassen haar en een groezelige baard, een reepje blote buik onder het gekreukelde shirt, de ogen dichtgeknepen tegen het licht. ‘Tsja’. In de keuken treft Wanja zijn vriend Astrov, na weer een nacht stevig doordrinken. Jeroen de Man (Wanja) en Ali Ben Horsting maken er een weerzien in een studentenhuis van. Twee eeuwige studenten, de één misschien nog iets ambitieuzer dan de ander, de ochtend na een feest – als de roes de leegte niet meer kan verhullen.

Die herkenning is verheugend, want de weemoed van Tsjechov is anno nu vaak obsoleet. Hoe kun je de leegte die zijn personages ervaren, overtuigend vertalen naar vandaag? In de eerste scène van zijn Oom Wanja lijkt regisseur Erik Whien de sleutel te hebben gevonden. Gefnuikte zelfverwezenlijking in een tijd waar kerk noch ideaal vervulling bieden, ja, dat is actueel en fris. Maar het lukt Whien helaas niet dat eigentijdse levensgevoel een voorstelling lang vast te houden. Daarvoor wringt zijn aanpak te zeer met Tsjechovs moraal.

De sterkste regies van Whien, zoals het schitterende Who’s afraid of Virginia Woolf vorig jaar, onderscheiden zich door hun geraffineerde gevoeligheid en herkenbare psychologie. De emotionaliteit, dat is zijn kracht. Maar juist die ruimte voor emoties is bij Tsjechovs Oom Wanja verdacht. Wanja en zijn nichtje Sonja beulen zich gelaten af op hun landgoed om haar vader, professor Serbrjakov, te onderhouden. Tot de professor en zijn jonge knappe vrouw Jelena zich op het landgoed vestigen, en het radarwerk vastloopt. De twee brengen grootsteedse ledigheid het huis in, grote levensvragen en dito emoties – waar gevoelens vroeger in stilte werden beleden komt iedereen in met drank overgoten nachten nu plots voor zijn (onbeantwoorde) liefdes uit, met ontwrichtende gevolgen.

De emotie en introspectie die Whien in zijn werk viert, veroorzaken bij Tsjechov dus juist ongeluk, en Whien vindt geen overtuigende uitweg uit die paradox. De voorstelling raakt uit evenwicht; een sluitende visie ontbreekt, al is de frisse bewerking van Casper Vandeputte, die met succes een handvol overbodige personages schrapte, aanstekelijk en bekwaam.

Wat resteert is een reeks particuliere verdrietjes, fraai en vaak geestig vertolkt door de sterke acteurs, tegen een weinig verheffend rommeldecor dat de opslag van het landgoed voorstelt. Dat dat niet te weinig is, is te danken aan het verbluffende spel van Jeroen de Man als Wanja. Met zijn blozende wangen en glanzende ogen is hij pas net de jeugd voorbij; zijn gezicht toont nu en dan nog een hoopvol binnenpretje. Zijn stille spel is schitterend, zelfs als hij zwijgt zie je Wanja broeden; hoop, woede, verliefdheid en teleurstelling trekken in stilte voorbij.

Als de tragische Sonja zichzelf aan het slot troost met de belofte van het paradijs, richt De Man zijn betraande gezicht naar de zaal. Voor hem, en voor ons, is die hoop er niet.