Öcalan roept op tot ontwapening van PKK

Onderhandelen over rechten voor Koerdische minderheid is belangrijk politiek thema geworden

Vanuit zijn cel op gevangeniseiland Imrali heeft Koerdenleider Abdullah Öcalan zaterdag de Koerdische guerrillabeweging PKK opgeroepen te besluiten tot ontwapening. Niet de woorden van Öcalan maakten het een bijzondere oproep, maar de manier waarop ze wereldkundig werden gemaakt.

Een bekend Koerdisch politicus, Sirri Sureyya Önder, las de verklaring voor op tv, live vanuit het kantoor van de premier in het Dolmabahçepaleis in Istanbul. Hij zat naast de vicepremier. De verklaring werd op meerdere kanalen tegelijk uitgezonden.

De boodschap die daarvan uitging is dat onderhandelen over rechten voor de grote Koerdische minderheid een belangrijk politiek thema is geworden. Iets om op het hoogste niveau over te praten met Koerden in pak, in plaats van een veiligheidsdreiging van een niet-erkende minderheid in camouflagekleding in de bergen.

Dat is precies wat Öcalan in zijn korte boodschap benadrukt. Hij wil dat de PKK dit voorjaar een congres houdt over het staken van de strijd. De PKK zou dat moeten doen „op basis van een minimale consensus over beginselen”. Hij geeft tien punten die vooral gaan over het opnemen van rechten voor minderheden in de grondwet.

Over drie maanden zijn in Turkije parlementsverkiezingen. Die zijn van groot belang voor zowel de pro-Koerdische partij HDP als voor de regerende AK-partij (AKP). De partij van president Erdogan wil de grondwet aanpassen om de president meer bevoegdheden te geven. Dat zal niet lukken zonder steun van delen van de oppositie en zonder dat een deel van de grote Koerdische minderheid op de AKP stemt.

De HDP heeft besloten hoog spel te spelen door voor het eerst als partij met een kandidatenlijst aan de verkiezingen deel te nemen. Tot nu toe lukte het alleen om onafhankelijke pro-Koerdische parlementariërs verkozen te krijgen die vervolgens als fractie opereerden. De kiesdrempel in Turkije is 10 procent. Kleine partijen maken daardoor geen enkele kans. Als ze minder dan 10 procent halen, gaan de stemmen op hen verloren en worden ze verdeeld over de andere partijen.

Tot nu toe is de HDP, net als haar pro-Koerdische voorgangers, bij alle verkiezingen onder de 10 procent gebleven. De Koerden hebben moed gekregen aangezien hun kandidaat Selahattin Demirtas het opvallend goed deed in de parlementsverkiezingen afgelopen zomer. Hij haalde 9,8 procent. Alleen dat al bewijst aan de Koerdische achterban, die ongeveer 20 procent van de Turkse bevolking uitmaakt, dat het zin heeft op Koerden te stemmen. De HDP fungeert nu duidelijk als kanaal tussen Öcalan, de PKK en de regering. AKP profiteert ook. De partij laat zien stabiliteit te brengen.

De oproep van Öcalan heeft veel gewicht, maar betekent tegelijk nog niets. Zowel de leiders van de PKK-strijders als president Erdogan hebben gezegd dat ze nu eerst willen zien dat de ander er serieus op ingaat. Twee jaar geleden riep Öcalan al op tot een wapenstilstand. Die is tot nu toe redelijk gerespecteerd. De PKK ging zich terugtrekken. Daar stopte ze na een paar maanden weer mee, omdat de regering te weinig aan de situatie van de Koerden verbeterde en onder meer de antiterreurwet niet aanpaste.

Nu is er een vergelijkbare kwestie. De Koerden zijn tegen een nieuwe wet die de politie vergaande bevoegdheden geeft. Het debat daarover leidde vorige week tot gevechten – nu niet in de bergen, maar in het parlement.

    • Marloes de Koning