Leidt betere communicatie tot meer kennis - over pensioenen?

Krijgen we echt meer belangstelling voor ons pensioen als de fondsen verplicht worden meer en beter toegesneden informatie te geven? Het Wetsvoorstel Pensioencommunicatie, gewogen door communicatiewetenschapper Bert Pol, in de rubriek De Mensenkenners. “Het aantal mensen dat zich vanaf nu meer gaat verdiepen in die pensioenmaterie zal uiteindelijk beperkt zijn”.

We blijken ons niet graag te verdiepen in alles wat te maken heeft met ons pensioen, terwijl we dat, in ons eigen belang, natuurlijk wel zouden moeten doen. Want komen we wel toe met het bedrag dat we na onze pensionering ontvangen? Moeten we niet nu iets extra’s doen om straks niet teveel in inkomsten terug te vallen? En zo ja, wat dan? Dat klemt des te meer omdat sinds de crisis de pensioensector op haar grondvesten staat te schudden en pensioenen in neerwaartse richting moesten worden bijgesteld. Het feit dat we steeds langer leven, zal de hoogte van de pensioenen vermoedelijk nog verder onder druk zetten.

Toch blijkt ruim twee derde  van de niet gepensioneerden niet open te staan voor informatie van hun pensioenfonds. Onderzoek dat in 2012 in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en  Werkgelegenheid (SZW) werd uitgevoerd, laat dat zien.

Uit dat onderzoek blijkt verder dat 43% van de respondenten moeite had om pensioeninformatie te begrijpen. Bij jongeren lag dat zelfs nog wat hoger. Het spreekt voor zich dat alles wat duidelijker en toegankelijker kan, meteen moet worden aangepast. Goed dus dat het Ministerie van SZW eind 2011 een werkgroep heeft ingesteld om de pensioencommunicatie onder de loep te nemen en voorstellen te formuleren voor verbetering. In 2014 werd het wetsvoorstel voor de Wet Pensioencommunicatie ingediend.

Wat gaat het Wetsvoorstel Pensioencommunicatie hieraan doen? 

Het wetsvoorstel Pensioencommunicatie bevat een aantal belangrijke verbeteringen. Zoals de verplichting voor pensioenfondsen om nog niet gepensioneerde mensen – deelnemers in het pensioenvocabulaire - een indicatie te geven van wat ze later aan pensioen kunnen verwachten. En wat dat betekent voor hun koopkracht en wat ze eraan kunnen doen om hun pensioen te verbeteren. Een goede zaak is ook dat de weergave van het pensioen dat de deelnemer mag verwachten, uitgedrukt moet worden in drie scenario’s: pessimistisch, verwacht en optimistisch. Dat maakt het allemaal concreter en tastbaarder, wat mensen kan aanzetten tot het nemen van maatregelen om hun pensioen aan te vullen. Als laatste voorbeeld: pensioenuitvoerders moeten hun informatie zoveel mogelijk laten aansluiten op specifieke kenmerken en behoeften van de betrokkene, wat natuurlijk ook een prima idee is.

Toch denk ik dat de pensioenmaterie na de positieve veranderingen lang niet voor iedereen duidelijk zal zijn. En, als het om gedrag gaat,  dat het aantal mensen dat zich vanaf nu meer gaat verdiepen in die pensioenmaterie uiteindelijk beperkt zal zijn. Met de verbeteringen wordt wel een hobbel geslecht, maar na die hobbel liggen nog een paar andere hobbels.

 

Wat is het centrale probleem?

Op het niveau van begrip is er het probleem van de laaggeletterdheid: 1,3 miljoen mensen in ons land is laaggeletterd. Dat wil zeggen ‘dat ze eenvoudige informatie uit korte zinnen en teksten kunnen halen als er niet of nauwelijks sprake is van afleidende informatie. Ze hebben moeite om verschillende soorten informatie te vergelijken, te contrasteren of te beredeneren.’ (Marieke Buisman en Willem Houtkoop. Laaggeletterdheid in kaart (2014), 14). Bij ‘eenvoudige informatie uit korte zinnen en teksten’, denk ik niet meteen aan de communicatie van een pensioenfonds. De materie zelf is al immers al behoorlijk ingewikkeld en eenvoudig zal die wel nooit echt worden. En zou wie niet in staat is ‘om verschillende soorten informatie te vergelijken, te contrasteren of te beredeneren’, de scenario’s die de pensioenuitvoerders moeten gaan verstrekken goed kunnen interpreteren? Hoe handig die ook mogen zijn voor wie een goede opleiding heeft genoten en wel over de zojuist genoemde vaardigheden beschikt.
Maar ook voor wie goed is opgeleid, blijft de pensioenmaterie weerbarstig. Het is allemaal wel te snappen, maar je moet je er echt in verdiepen; het is geen dagelijkse kost. En de vraag is dan: waar haal je de tijd vandaan? ‘Zou ik me eigenlijk wel in moeten verdiepen. Volgend weekend dan maar …’ Als je je betrokken voelt bij een onderwerp, dan maak je er tijd voor. Maar voor velen is het pensioen nog ver weg. En wat zich in de toekomst kan of zal gaan afspelen, krijgt minder aandacht. De cijfers in het hierboven aangehaalde onderzoek uit 2012 illustreren dat: van degenen die nog deelnemen aan het arbeidsproces is slechts 29% geïnteresseerd in pensioeninformatie. Bij de gepensioneerden staat daarentegen 63% daar juist wel voor open.

Het is daarom de vraag of bij degenen voor wie de pensioenleeftijd voorlopig nog niet in zicht is, de verplichtingen in de Wet Pensioencommunicatie tot veel meer actie zullen leiden.

Is het wetsvoorstel duidelijk genoeg?

Sommige veranderingen die de Wet Pensioencommunicatie doorvoert, roepen bij mij ook weer vragen op. Zo stelt artikel 48 lid 1: “De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt is correct, duidelijk en evenwichtig. […]” Maar ja, wat is dan ‘duidelijk’ en ‘correct’ en ‘evenwichtig’? Wanneer is informatie dan niet duidelijk?  En wat voor mij duidelijk is, hoeft dat voor een ander niet te zijn.

In het verlengde daarvan vind ik het een intrigerende vraag wie de naleving van de pensioencommunicatie moet gaan controleren. En vooral: op grond van welke criteria? Wanneer velt hij of zij het oordeel: ‘dit is niet duidelijk’. Ik kijk er met belangstelling naar uit.

Bert Pol

(Verbonden aan Maastricht University, capaciteitsgroep Work & Social Psychology)

 

Dit is de tweede aflevering van de NRC/WRR rubriek ‘Mensenkenners’ . De eerste is hier te vinden. Daarin analyseren gedragswetenschappers actuele wetsvoorstellen op uitnodiging van dr. Petra Jonkers. Zij is co-auteur van “Met kennis van gedrag beleid maken” (2014), een advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het wetsvoorstel is hier te vinden.