Ik kan slecht tegen verworven rechten

Ze was de machtigste ambtenaar van Nederland, nu bestuurt ze de stad waar zij woont. Kajsa Ollongren voelt zich er thuis. „We mogen meer vertrouwen in onszelf hebben.”

Illustratie Enkeling

Rare naam – Kash-ja?

„Het is Kajsa! Je zegt het zoals je het spelt. Veel mensen zeggen Kasja, Kaisja, of Kashja. Het maakt mij niet uit, ik corrigeer eigenlijk nooit iemand, behalve – en dat komt maar weinig voor – als iemand me Katja noemt. Mijn achternaam ligt ook niet zo lekker in de mond hier. Net als zoveel mensen met een niet-Nederlandse naam spel ik die geduldig.”

Best raar, een interview met jezelf, vind je niet?

„Klopt, maar ook wel weer een geestig experiment. En ik roep overal waar ik kom dat ik zo voor creativiteit en vernieuwing ben. Dan vind ik ook dat zo’n rubriek van nrc.next een kans verdient. En misschien kom ik nog tot nieuwe inzichten over mezelf.”

Waarom wilde je zo graag de politiek in?

„Goede vraag. Ik weet niet of ik zo graag de politiek in wilde. Ik heb mijn hele leven in Den Haag gewerkt, de laatste zeven jaar op het ministerie van Algemene Zaken. Ik kreeg de kans wethouder te worden. Het is heel bijzonder in mijn eigen stad te kunnen besturen en ik geniet ervan hier te werken. Dat heb ik jarenlang niet voor mogelijk gehouden. Den Haag lijkt het epicentrum van bestuurlijk Nederland, maar juist op het niveau van de stad gebeurt het en kun je het verschil maken.”

Het verschil maken, wat een cliché...

„Ja, maar soms zijn clichés waar. Ik schuif problemen niet naar voren. Ik wil dingen aanpakken en oplossen. Soms moet je risico’s durven nemen en nieuwe initiatieven de ruimte geven. Geen politiek om het politiek bedrijven. Maar om resultaten te halen.”

Maar waarom ben je dan niet het bedrijfsleven ingegaan in plaats van de politiek?

„Een zakelijke benadering van dit werk maakt me nog geen zakenvrouw. De publieke zaak drijft mij, de complexiteit en de veelzijdigheid ervan. En het maatschappelijk nut. Met het bedrijfsleven werk ik graag samen, ik werk er niet in. Zakelijk zonder winstoogmerk, zeg maar.”

Heeft je achtergrond iets te maken met wie je bent, of wat je doet?

„Ja. De mix van nationaliteiten en persoonlijke geschiedenissen in mijn familie hebben mij zeker beïnvloed. Van mijn Russische grootvader, mijn in Zuid-Afrika opgegroeide grootmoeder, mijn vader die in Nederlands-Indië is geboren en na de oorlog naar Nederland kwam, tot en met mijn lieve Zweedse grootmoeder en mijn moeders familie daar. Het was wat atypisch opgroeien tussen de Hollanders. Toch ben ik zelf wel heel Nederlands, een echt jaren-70-kind.”

Wat is dat, een kind van de jaren 70?

„De wereld was verdeeld in Oost en West. Kernenergie nee! Kruisraketten nee! Nederland was ook overzichtelijk. De PvdA en het CDA maakten de dienst uit. Joop den Uyl was minister-president, en daarna Van Agt en Lubbers. Arend Lijphart vertaalde de verzuiling in een vorm van pacificatie, maar ik zag vooral verstilling: van verworven rechten en vastgeroeste patronen. D66, met Hans van Mierlo en Jan Terlouw, stelde dat ter discussie.”

Ja, ja, het redelijk alternatief, dat kennen we nu wel van D66. Welk alternatief is dat dan, blijft het niet bij mooie woorden?

„Ik bedoel natuurlijk dat mijn motief is dat ik stilstand wil doorbreken, ruimte wil creëren voor mensen die iets kunnen, die iets willen. Ik kan slecht tegen verworven rechten die nooit meer worden afgestaan. Mensen worden er ook zelden beter van als anderen voor hen denken. De tijdgeest van nu ligt mij goed: er is dynamiek, ruimte voor individuele ontplooiing. Mensen zoeken elkaar op, ze zitten niet vast aan sleetse gewoonten. We durven weer grenzen te verkennen en te pionieren. Prikkel mensen zoveel mogelijk in plaats van ze in slaap te sussen. Hier in Amsterdam hebben we nu een coalitie die daarop inzet. We hebben niet voor niets gekozen voor het motto ‘Amsterdam is van iedereen’.”

Wanneer mag iemand zichzelf eigenlijk Amsterdammer noemen?

„Wat mij betreft vanaf dag één dat je kiest voor de stad als je thuis. Student, vluchteling, baby, bejaarde, iedereen! Anciënniteit telt niet. Zoals ik ooit besloot in de hoofdstad van Nederland te gaan wonen, zo besluiten veel mensen dat nu ook. Aangetrokken door de vrijzinnigheid, de eigenheid en de tolerantie van de stad waarin iedereen zichzelf kan zijn. Mensen komen en blijven; anderen gaan ook weer. Maar we zijn allemaal Amsterdammer. En als mensen roepen ‘vroeger was alles beter’, zeg ik: ja, de stad verandert – en dat is nu precies waarom mensen in een stad willen wonen. Ja, het wordt drukker op sommige plekken. Maar wees blij dat de stad zo’n aantrekkingskracht heeft.”

Je hebt het over toerisme?

„Nee, eigenlijk niet alleen. Maar nu je er over begint: Amsterdam groeit door het aantal bewoners én door bezoekers. Net als veel andere hoofdsteden die in trek zijn. En dat vraagt om aanpassingen, want we delen die schaarse ruimte met elkaar. Juist om de groei aan te kunnen, moeten we durven kiezen voor verandering: straten, pleinen, fietsen, auto’s, afval, openingstijden, regels... Waar leidt drukte écht tot overlast? Hoe is het nu geregeld en hoe kan het beter? We komen met het stadsbestuur binnenkort met nieuwe maatregelen. We kunnen met elkaar de stad aantrekkelijk houden, maar de vraag om aanpassingsvermogen is groter dan ooit.”

Toch vinden mensen Amsterdam te vol en zijn ze bang voor een Venetië-scenario.

„We mogen meer vertrouwen in onszelf hebben. Amsterdam is de hoofdstad van Nederland, veel mensen willen hier graag wonen. Op de kaart van de stad kan ik verschillende buurten aanwijzen die enorm zijn opgebloeid de laatste jaren. En bedrijven van over de hele wereld kiezen voor Amsterdam, juist omdat hun werknemers het hier prettig vinden. We hebben unieke musea en theaters. Ik vind het niet zo gek dat mensen graag komen, daar moeten we trots op zijn.”

Zijn er andere steden waar je ook zo enthousiast over bent?

„Op Parijs ben ik bijna even verliefd als op Amsterdam, ik heb er gestudeerd. Stockholm is een heerlijke stad, het heeft de compactheid van Amsterdam en de grandeur van Parijs. Kaapstad omdat het er bruist. Rome omdat de geschiedenis je omarmt, Madrid, Londen, tsja eigenlijk hou ik gewoon erg van steden.”

Hou je ook van Den Haag?

„Na 22 jaar in Den Haag te hebben gewerkt, heb ik wel iets met die stad, vooral met het Binnenhof. De sfeer daar is bijzonder, in en om de Tweede en Eerste Kamer, de ministeries, het Plein. Ik kom er graag. En nee, voordat je het vraagt: de Haagse politiek mis ik niet. Ik heb er Amsterdam voor in de plaats gekregen, wat wil je nog meer?”

Wat was je meest bijzondere ontmoeting in Amsterdam tot nu toe?

„Die had ik niet zelf. Mijn jongste zoon kwam op een dag Victor Fischer tegen, hier vlakbij in de stad. Met z’n vriendje heeft hij snel pen en papier gehaald. Victor zette niet alleen een handtekening, hij poseerde ook lachend met de jongens van 11 jaar oud. Ze zijn nu voor eeuwig fan. Hij is al heel lang geblesseerd. Ik hoop dat hij snel weer kan spelen bij Ajax.”

Nog iets nieuws ontdekt aan jezelf tijdens dit gesprek?

„Ah, je komt erop terug. Nee, iets nieuws heb ik niet ontdekt, maar wel heb ik iets ouds herontdekt. Ooit wilde ik journalist worden en nog altijd lijkt het me bijzonder interessant werk. Maar het is wel een vak, dat blijkt vandaag maar weer.”