Herdenk de veteranen van strijd in Indonesië

Erken dat oud-strijders van de politionele acties in ‘ons Indië’ ondank als loon kregen voor hun vuile werk. Herdenk ze. Hylke Speerstra over het drama van een ‘sniper’ in de dessa.

illustratie cameron cardow

Het is nu 65 jaar geleden dat ‘onze jongens’ met de laatste troepenschepen uit Indië terugkeerden. Hun gesneuvelde wapenbroeders, ruim vijfduizend in totaal, hadden ze moeten achterlaten. Overheid en legerleiding zijn er erg lang van uitgegaan dat Indië ‘van ons’ zou blijven en dat zo de gevallenen in Indië aan eigen aarde konden worden toevertrouwd. Valse troost.

Meteen na de bevrijding was hier in sneltreinvaart een leger van 100.000 man klaargestoomd. Onvoldoende getraind en onpraktisch uitgerust werd het een guerrillaoorlog ingestuurd.

De oorlogspropaganda werkte daarentegen zeer professioneel. Het gevolg was dat onze militairen in Indië een heel andere oorlog meemaakten dan die welke het thuisland vier jaar lang werd voorgespiegeld. Zo moest het wel een onbegrepen oorlog met onbegrepen veteranen worden.

Toen eind 1946 generaal Wyb Schilling, specialist in het voeren van een guerrillaoorlog, duidelijk kon maken dat er alleen al voor Java en Sumatra minimaal een kwart miljoen man nodig waren om orde, rust en veiligheid te brengen, waren de rapen gaar. Hij werd meteen overgeplaatst.

Of het nu om Gronings aardgas gaat, of om Indische olie, koffie, thee, rubber en tabak, het valt ons volk en vaderland zwaar de revenuen uit onze wingewesten prijs te geven. Een gewest mag met gescheurde monumenten en al nog dieper zakken; de levens van duizenden jonge mannen mogen op het spel worden gezet, want ‘wingewest verloren, rampspoed geboren’.

Van die 100.000 Indiëgangers, voor het overgrote deel dienstplichtigen, leven er naar schatting nog maar een paar duizend. Zij zijn gemiddeld 88 jaar. Een mooie leeftijd, maar ze hebben ook een beetje pech: juist in deze levensfase blijken ze zich – veel scherper dan tijdens hun werkzame leven – hun tijd in Indië te herinneren.

De verschrikkingen van toen kunnen zomaar in droom en gedachten opdoemen. De spanning tijdens een patrouille, de angst, de waanzin van wraak en weerwraak – alles wordt dan opnieuw beleefd. Met de vinger aan de trekker van het geweer proberen ze weer te overleven.

Hoe kun je die traumatische herinneringen ontlopen? Door te blijven zwijgen? In hun dromen blijkt dat niet altijd te lukken, daar weten behalve psychologen ook de gezinsleden van Indiëgangers van mee te praten.

In 2013 en 2014 heb ik enkele tientallen oude veteranen gesproken. Zonder voorselectie te houden schoot ik ze aan. Er volgden zeer open gesprekken.

Wat ik hoorde was veel erger dan ik voor mogelijk had gehouden. Er gingen vensters open die lang op slot hadden gezeten. Zingend waren ze weg gegaan, zwijgend kwamen ze thuis. Hun opgekropte waarheid zal de leugens van de propaganda goeddeels inhalen. Voor mij staat intussen vast dat tijdens de reguliere patrouilles op Java en Sumatra veelvuldig standrechtelijke liquidaties zijn voorgekomen.

De degelijk opgevoede Ale van der Meer uit Sint Nicolaasga (Friesland) wist er van mee te praten. In de armoe van de jaren dertig verdiende hij als boerenknecht een rijksdaalder in de week. In de Tweede Wereldoorlog werd hij als onderduiker door de Duitsers opgepakt en mishandeld; in de nazomer van 1945 kwam hij als dwangarbeider te voet uit Duitsland thuis en woog nog 92 pond. Het bevrijdingsfeest was al gevierd.

Na anderhalve dag had hij weer werk. Toen hij bijna zijn oude gewicht had, kwam de oproep voor militaire dienst. Op Timor moest hij met een vuurpeloton tientallen Japanners fusilleren, en op Java schoot hij een scherpschutter van een dak. Het bleek een jongetje van dertien te zijn.

Na drie jaar dienen stond hij weer op de Rotterdamse Lloydkade. Daar kreeg hij een appel mee voor onderweg naar huis. Door de gemeente Doniawerstal werd hij een jaar later geëerd met een koperen asbakje.

Toen zijn oudste zoon dertien werd, raakte Ale van der Meer zwaar overspannen. Hij kon niet langer zijn herinnering omzeilen en moest worden opgenomen. De kapelaan van Sint Nicolaasga raadde hem aan eindelijk eens te komen biechten, maar tijdens de thuisvaart aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt had de priester hem op het hart gedrukt: „Wat je me nu allemaal aan verschrikkelijks vertelt, mag je nooit, nooit verder vertellen”.

Op 5 mei wordt het veertiende lustrum van een bevrijd Nederland gevierd. Organisatiecomités zijn druk bezig er nog levende geallieerde bevrijders bij uit te nodigen. Zij zullen zonder twijfel met alle egards worden ontvangen en in ontroering worden toegejuicht.

In de schaduw van dit heldendefilé verscholen moeten de Indiëveteranen op die heuglijke dag hun plaats maar zien te vinden. Het zou een goed idee zijn als de comités hun op 5 mei een waardige plaats bieden.

Want niet zij zijn het die fout na de oorlog waren. Dat waren de politici en bestuurders die hen uit naam van een naar welvaart snakkende natie verplichtten het vuile werk op te knappen.