Georg Nigl adembenemend in waanzinsopera van Rihm

Georg Büchner stierf in 1837, 23 jaar oud. Zijn nagelaten fragmenten vormden de tekstbasis voor Bergs Wozzeck (1921) én voor Jakob Lenz (1978)van Wolfgang Rihm, inmiddels eveneens een moderne klassieker.

Jakob Lenz is waanzinnig. Zijn verleden (ongelukkig liefde, vriendschap met Goethe) is uitgevaagd. Om rust te vinden logeert hij in de Elzas bij dominee Oberlin; de bergen doen hem goed, maar dempen maar even de afgrond waarin hij verdwijnt.

Duivelskunstenaar Rihm schreef voor zijn kameropera wilde, schmierende muziek, tonale koren, een trio voor vertwijfelde pizzicato cello’s, carnavaleske spotmuziek, huiveringwekkende stilte. De expressieve partituur, vrijwel zonder zwakke momenten, met knipogen naar Berg en Bach, werd bevlogen gespeeld door het Munt-ensemble onder Franck Ollu.

Het fraaie decor toont naakte woestenij én Biedermeier-interieurs, die in de slotscène in elkaar opgaan. De statische tableaus met het zeskoppige koor als zetstukken worden gescheiden door black-outs. Het effect is groot: flarden van tijd en ruimte, met Lenz’ woedende gekte als constante.

Georg Nigls geeft Lenz’ angst en hulpeloosheid pijnlijk waarachtig gestalte. De intensiteit van zijn spel en zang maken van de opera een adembenemende uitputtingsslag. Oberlin (Henry Waddington) en ‘vriend’ Kaufmann (John Graham-Hall) zijn treffend in hun onvermogen Lenz te redden. Die eindigtin een dwangbuis, gillend naar een afgrondelijke waanwerkelijkheid die wij ons via hem maar al te goed kunnen voorstellen.