Eigenzinnig binnen de tijdsgeest

Carel Visser (1928-2015)

Beeldhouwer

Maker van ‘salamibeelden’ en assemblages

Carel Visser naast zijn werk Mammoeth (1969) tijdens een tentoonstelling in De Zonnehof in Amersfoort. foto EPA/RAYMOND RUTTING

Er zijn niet veel oeuvres waaraan je de ontwikkelingen in de beeldhouwkunst zo mooi kunt aflezen als dat van Carel Visser. Hij ontwikkelde zijn kunstwerken parallel aan internationale stromingen als Minimal Art en Arte Povera, maar ging toch steeds weer zijn eigen weg. „Ik sta op de oever van de grote rivier van de tijd en geef vorm wat voorbijkomt”, zei hij in 1994 in deze krant. „Ik hoop dat je aan mijn beelden kunt zien wanneer ze gemaakt zijn.”

Visser overleed gisteren op 86-jarige leeftijd in zijn woonplaats Le Fousseret in Zuid-Frankrijk. Hij was een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse beeldhouwers. Net als zijn Amerikaanse collega’s Sol LeWitt en Carl Andre kreeg hij in de jaren zestig bekendheid met geometrische sculpturen van industriële materialen als roestig staal en beton. Later, vanaf de jaren zeventig, maakte hij ook gebruik van meer natuurlijke materialen als zand, schapenwol, veren en zelfs struisvogeleieren. Ook dat paste in de tijdsgeest: in Italië was Mario Merz ook bezig met ‘gevonden materialen’ en in Groot-Brittannië maakte Richard Long geometrische vormen van hout en stenen.

De natuur is voor Visser altijd een grote inspiratiebron geweest. „Mijn beelden moeten net zo vanzelfsprekend zijn als een boom of een paard”, zei hij daarover. Zijn sculpturen ontleenden hun ritme aan groeivormen of patronen in het wateroppervlak. „Ik maak gebruik van dezelfde principes als de natuur”, zei hij. „Van opbouw, van symmetrie en asymmetrie.”

Carel Visser groeide op in Papendrecht in een welgestelde familie. Zijn vader was een civiel ingenieur met een grote liefde voor architectuur. Zijn oudere broer Martin werd al jong kunstverzamelaar. Visser begon na de oorlog een architectuurstudie aan de Technische Hogeschool in Delft. Maar nadat hij in de winter van 1948 de tentoonstelling 13 beeldhouwers uit Parijs in het Stedelijk Museum in Amsterdam had gezien, stapte hij over naar de Koninklijke Academie in Den Haag. Vooral de beelden van Giacometti, Gonzalez en Brancusi – zijn grote held – maakten diepe indruk.

In de werkplaats van het aannemersbedrijf van zijn vader ging Visser experimenteren met lastechnieken. In eerste instantie maakte hij beelden van mens- en dierfiguren van aan elkaar gelaste ijzeren platen en pijpen, die herinnerden aan de ranke figuren van Giacometti en de hoekige beelden van Gonzalez. Een belangrijk thema in die vroege jaren waren parende vogels. Als kind had Visser op het dak van de buurman ooit twee ooievaars zien paren. Dat beeld was hij nooit vergeten.

Vanaf 1954 begon hij met het stapelen van ijzeren platen en balken totdat er geometrische vormen ontstonden. Voor zijn zogenaamde ‘Salamibeelden’ uit de jaren zestig sneed hij stalen balken in plakjes alsof hij een worst uitserveerde. Het is werk dat mooi aansluit bij de minimalistische tegelvloeren van Carl Andre en de robuuste kubussen van Richard Serra en Donald Judd, maar dat met zijn sobere beeldtaal ook past in de Hollandse traditie van Mondriaans Nieuwe Beelding.

Vissers latere werken zijn speelser en intuïtiever. Vanaf eind jaren zeventig ging hij sculpturen maken met spullen die hij vond rondom zijn boerderij in het Betuwse dorp Ravenswaay. Daarmee construeerde hij surrealistische werken met een flinke dosis humor. Zoals de assemblage Neukende honden (1988, Museum Kröller-Müller), gemaakt van een autoruit, een boomstronk en kartonnen dozen die met touw aan elkaar gebonden zijn. De sokkel wordt gevormd door opgerold schapengaas. Met een beetje fantasie kun je er inderdaad twee copulerende honden in herkennen.

Naast sculpturen maakte Visser ook houtsneden, tekeningen, sieraden en collages. In 2004 ontving hij voor zijn gehele oeuvre de Wilhelminaring, de belangrijkste Nederlandse beeldhouwprijs.

    • Sandra Smallenburg