De oorlogslust van de VS kan snel weer terug zijn

Obama houdt niet van militair ingrijpen, maar kiest voor ‘strategisch geduld’. Juurd Eijsvoogel voorziet een omslag nu Obama in zijn nadagen is.

Een wereldleider die een fout erkent, een grote fout nog wel – dat zie je niet vaak. Nu de chaos in Libië steeds verder uit de hand loopt, is het interessant nog eens terug te kijken welke les Obama heeft geleerd van de militaire interventie in dat land in 2011.

Wat wij, en ook onze Europese partners, hebben onderschat, zei Obama afgelopen zomer in een interview met Thomas Friedman van The New York Times, is de noodzaak meteen na de val van Gaddafi een veel grotere inspanning te leveren om die maatschappij op te bouwen. „Dat is een les die ik nu iedere keer toepas als ik voor de vraag sta of we ergens militair moeten ingrijpen: hebben we een plan voor de dag erna?”

Omdat Obama ook zegt dat hij er nog steeds „absoluut van overtuigd is” dat het een goed idee was in Libië in te grijpen, vindt hij blijkbaar dat Amerika en zijn bondgenoten mensen naar het Noord-Afrikaanse land hadden moeten sturen om het helemaal op poten te zetten. Met alle risico’s van dien.

Het is moeilijk te geloven dat hij dat werkelijk meent. De president die zich er zo graag op laat voorstaan dat hij de Amerikaanse troepen heeft teruggehaald uit Irak en Afghanistan zou nu vinden dat Amerika eigenlijk een nieuwe langdurige verplichting had moeten aangaan in de regio?

Beperkte macht

Waarschijnlijker is dat hij stilletjes tot de conclusie is gekomen dat hij nooit aan die hele Libische oorlog had moeten beginnen. Maar dát toegeven is weer een stuk pijnlijker.

Deze maand publiceerde het Witte Huis, voor de tweede keer sinds Obama aan de macht is, een Nationale Veiligheidsstrategie, een document waarin de uitgangspunten van de buitenlandse politiek zijn neergelegd. Het stuk ademt Obama’s overtuiging dat de macht van Amerika om de wereld naar zijn hand te zetten beperkt is. Voor veel problemen bestaan geen snelle, makkelijke oplossingen, schrijft hij in het voorwoord. De Amerikaanse buitenlandse politiek moet daarom vooral vasthoudendheid en ‘strategisch geduld’ tonen, in plaats van impulsief te reageren op iedere crisis die oplaait.

Die term ‘strategisch geduld’ is het mikpunt van kritiek geworden. Obama’s politieke tegenstanders vinden dat het niet meer is dan een chic synoniem voor ‘niets doen’, een schaamlap voor de onwil om Amerika’s militaire macht vaker in te zetten en een leidende rol in de wereld te spelen.

Langs de zijlijn

Waarom is Amerika langs de zijlijn blijven staan terwijl Syrië in geweld ten onder ging? Waarom stelt Obama zich niet assertiever op tegenover Poetin, en levert hij geen wapens aan Oekraïne?

Door zo terughoudend te zijn, zeggen zijn critici, lijken de Verenigde Staten zwak – en dat is een gevaarlijke aanmoediging voor Rusland, de Islamitische Staat (IS) en andere tegenstanders en rivalen van Amerika. Wat is een wereldmacht waard die de andere kant op kijkt als de wereld in brand staat?

Maar Obama denkt aan de chaos in Libië. Hoe zou het zijn gelopen als Gaddafi níét was verdreven? Als het Westen ‘strategisch geduld’ had betracht en de Libische leider, die al tegen de zeventig liep, had laten zitten?

Had hij dan werkelijk de burgers van Benghazi afgeslacht? Of was dat gevaar overdreven, zoals een artikel in de nieuwe Foreign Affairs oppert, en was het beter geweest – voor het land en de regio – als het Westen het regime met rust had gelaten?

Maar het kan snel afgelopen zijn met Obama’s doctrine van het strategisch geduld. In de Amerikaanse publieke opinie is de oorlogsmoeheid die intrad na de Irak-oorlog alweer op haar retour. Bijna driekwart van de Republikeinse kiezers wil volgens een recente peiling grondtroepen inzetten tegen IS. Zo kan buitenlands beleid een mooi campagnethema worden bij de komende presidentsverkiezingen.