De Citotoets behoedt het kind voor uitglijders later

Objectieve toets blijft nodig – alleen al om omdat de juf een kind kan waarderen omdat het ‘zo goed zijn best doet’, aldus Frederiek Weeda.

Rachida en Wesley, ik heb hun namen veranderd, zaten bij mijn dochter in groep acht van een Amsterdamse basisschool. Beiden kregen van de meester havo-advies. Hun ouders vonden dat mooi. Maar beiden bleken ze, na de Citotoets, geschikt voor vwo. Daar doen ze het, een jaar later, hartstikke goed.

Dat zou dit schooljaar misschien niet zijn gebeurd. Want Cito mag niet meer worden gebruikt om het schoolsucces van een 12-jarige te voorspellen. Het advies van de leerkracht wordt bepalend. Hij kent het kind al langer en de toets is volgens critici slechts een momentopname.

Dus maken kinderen dit jaar de Citotoets niet in februari maar in april, wanneer ze al lang het (bindende) advies van de leraar binnen hebben en wanneer ze al een middelbare school hebben gevonden. Alleen als kinderen als Rachida en Wesley dan een opvallend hoge Citoscore halen, mág de leraar zijn advies op de valreep verhogen. De Citotoets dient voortaan alleen nog om prestaties van basisscholen als geheel te meten. Veel ouders kijken daar overigens wel naar op het moment dat ze een school zoeken.

Alsof de klok twintig jaar is teruggezet. Kritische ouders, onderwijswethouders en schoolleiders ijverden in de jaren negentig juist vóór invoering van de Citotoets. Te vaak kregen ze geen zicht op wat een kind kon. Zonder objectieve toets bleef dat vaak onduidelijk. De school dacht aan mavo voor Jan, zijn ouders wilden havo. Want ze wilden het hoogst mogelijke voor Jan. Onder die emotionele druk gaven veel leraren een te hoog schooladvies. Ze gaven het kind het voordeel van de twijfel. Soms ging dat om kinderen van ouders die met niets minder dan vwo genoegen namen. Soms om Turkse of Marokkaanse ouders die weinig snapten van het onderwijssysteem. Zij hadden altijd van de juf begrepen dat hun kind het „zo goed deed”. En dus waren ze teleurgesteld toen het een LTS-advies kreeg. Hij zou toch advocaat worden! Vooruit, zei de juf, probeer de mavo maar. Die druk is sindsdien alleen maar groter geworden.

Middelbare scholen kregen zo te veel kinderen in de brugklas die het tempo niet aankonden. Zij wilden een objectieve meetlat, en daar werd al sinds de jaren zestig aan gewerkt bij het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling. Amsterdam liep voorop: daar werd Cito na veel gesoebat in 1996 verplicht voor alle basisscholen. En wat bleek: Amsterdamse kinderen haalden gemiddeld veel lagere Cito-scores dan kinderen in andere gemeenten.

Meten is weten, concludeerde de toenmalige staatssecretaris Netelenbos (PvdA). Enkele jaren later voerde ze de Citotoets in voor alle basisscholen (of een soortgelijke toets). De opluchting bij kritische ouders en middelbare scholen was groot.

Veel basisscholen met ‘achterstandskinderen’ vonden die verplichte Citotoets maar niks. De school zou voortaan worden afgerekend op lage Citoscores, terwijl, zo zeiden ze, de mensen eens moesten weten hoe groot de taalachterstand was van de kleuters die er binnenkwamen. Men kon toch niet verwachten dat de school dat in acht jaar wegwerkte!

Daar hebben kinderen als Rachida en Wesley niets aan. Als ze weinig hadden geleerd op school, en lage Cito-scores hadden gehaald, had de basisschool in acht jaar misschien beter haar best moeten doen. Maar ze haalden juist hoge scores, hoger dan verwacht. Dankzij de Citotoets mochten ze naar het vwo. Ze horen bij de 15 procent van alle kinderen die elk jaar een hogere Cito-score haalt dan de leerkracht had verwacht. Een kwart haalt een lagere score en ongeveer 60 procent maakt de eindtoets precies zoals de juf al voorspelde.

Een objectieve meetlat blijft dus nodig – alleen al om omdat een basisschool een kind enorm kan waarderen omdat het „zo goed zijn best doet”. Maar een middelbare school kijkt naar cijfers. Zo ook een werkgever. Het kan niet verbazen dat een kwart van de Amsterdamse jongeren tussen 15 en 27 jaar werkloos was, vorig jaar. Bijna de helft heeft geen volwaardig diploma (‘startkwalificatie’). Dat zijn de kinderen die in de jaren negentig (en later) massaal onder het landelijk gemiddelde presteerden.

Intussen was er een ontwikkeling die de voorspellende waarde van de Citotoets weer verkleinde: assertieve ouders stuurden hun kinderen massaal op Cito-cursus. Ook sommige scholen oefenden eindeloos. Ze schroefden de scores op. En zo kan het gebeuren dat middelbare scholen opnieuw kinderen kregen die het tempo niet aankonden – ondanks hun goede Citoscore. Voor die kinderen is de score inderdaad slechts een momentopname. Zelf hebben ze er uiteindelijk niets aan. Hebben ze in de brugklas te veel onvoldoendes, dan stuurt de middelbare school ze keihard weg.

De eerste berichten zijn er al: leraren nemen dit jaar in januari en februari alsnog een oude Citotoets af om hun indruk van elke achtstegroeper te toetsen. Ook middelbare scholen, zeker de populaire gymnasia, lycea en categorale mavo’s, zoeken manieren om tóch even te meten wat het aangemelde kind weet en kan – het advies van de basisschool ten spijt. Noem het prestatiedruk of toetsgekte. Maar een paar zware toetsdagen op je elfde zijn minder schadelijk voor een mens dan slecht onderwijs, van school worden gestuurd of op jonge leeftijd al in de kaartenbak van het UWV belanden.