Wilt u even op de foto?

Joyce Roodnat

Over portretten en hun kracht. Oliver Sacks; Faces Then; Turist; Tuymans-Van Giel.

De dood mag zijn gang gaan, die wordt ook maar gestuurd. Maar dat betekent nog niet dat ik alles wat de dood doet zomaar accepteer. Ik bedoel: waarom legt hij aan op Oliver Sacks? 81 jaar oud, verbaasd als een jongen, speels als oude wijze mannen durven zijn. Neuroloog. Schrijver van virtuoze verhalen over het horten en stoten van de menselijke geest. Met zijn pen bevorderde hij zijn patiënten tot dierbare bekenden. De kleurenblind geworden kunstschilder. De autistische vrouw die er haar voordeel mee doet dat ze denkt zoals de koeien, de ‘touretter’ die dankzij zijn afwijking een geweldige chirurg is. En natuurlijk de man die door een neurologisch defect per ongeluk zijn vrouw pakt om op te zetten, in plaats van zijn hoed.

En nu schreef Oliver Sacks geen boek maar een brief, in de New York Times. Hij voelt zich goed, hij zwemt elke dag. Maar „my luck has run out”. Hij heeft vernomen dat zijn leverkanker ongeneeslijk is en „now I am face to face with dying”. Vervolgens formuleert hij, zo reëel, zo intiem en zo vanzelfsprekend als hij dat kan, hoe hij zich voelt. Enerzijds: „I feel intensely alive”. Anderzijds: „I cannot pretend I am without fear”. Daartussenin: de toekomst is „no longer my business”.

Ik wil geen wereld zonder Oliver Sacks erin. En als het dan toch moet, hoop ik op een boek waarin hij de weg naar zijn einde beschrijft. Een zelfportret dat postuum zal verschijnen en wat ik zal lezen met bewolkte ogen. Omdat hij zo’n goeie schrijver is, zijn al Sacks’ verhalen óók zelfportretten. Uit zijn boeken blijft hij me aankijken. Want goede portretten overbruggen de tijd, overwinnen de dood en hebben de toekomst wel degelijk: ik ben er, zegt zo’n portret. En je voelt een knipoog als je even niet kijkt.

„Portretten, misschien wel de saaiste kunstvorm die bestaat.” Het staat er echt, het is zelfs de eerste zin van een kunstkritiek in deze krant. Ik lees het stuk omdat ik net terug kom van de beschreven expositie. In Brussel, in Bozar, het Paleis voor Schone Kunsten zag ik wat virtuositeit vermag als je het optelt bij psychologisch inzicht.

Portretten saai? Hoezo? Ze zijn een uitdaging voor een schilder. Wat laat hij zien, wat liet hij weg, waar lag zijn plezier?

In de Bozar was het of de zestiende eeuw me aan mijn mouw trok. Begrijpen kan ik die man van dat schilderij uit 1530 nooit. Maar met dat ene detail, die kokette pink waarmee hij zijn baret verschikt, definieerde de schilder hem en brengt hij hem zeer dichtbij. Of dat portret van de man „met de kerfstok” uit 1520. Ver weg, diep achter hem, weidt een kudde schapen, vliegt een zwerm vogels en wordt een bijl geheven: die boom gaat aanstonds om. Geblaat, gekwetter, het zware ruisen van een vallende boomkruin. Ik hóór wat die man hoort. Dankzij het geluidsspoor in dit portret ben ik deel van hem, ik zit in zijn oor.

In de film Turist arriveert een gezin, vader, moeder, twee kinderen, in een pico bello skivakantiehotel. Het is hun eerste dag in de sneeuw – wilt u even op de foto? Het familieportret oogt lief maar staat strak van ongemak. Geraas! Er dreigt een lawine. Die stopt op het nippertje, maar de vader spurtte weg. Aan vrouw en kinderen dacht hij niet, hij redde zijn iPhone (de link naar zijn werk en identiteit). Iedereen leeft, maar het gezin is gestorven. Dat het doodziek was, legde die familiefoto al vast.

Aan hét portret van vorig jaar, ‘A Belgian politician’ van Luc Tuymans, wijdt Art Space Marion De Cannière, in Antwerpen, een bliksemexpositie. Het is een schilderij van een bezweet voorhoofd, onflatteus, groenig – een man in nood. Tuymans baseerde het op het portret dat fotografe Katrijn Van Giel maakte van de politicus Jean-Marie Dedecker. De fotografe verlangde erkenning, de schilder weigerde en is inmiddels veroordeeld voor plagiaat. Juristen verzekeren me dat dat een solide oordeel is. Rechters weten zich geen raad met emoties, op botsende gevoelens past geen wetsartikel. De cause célèbre zet kwaad bloed in de kunstwereld, wat bij Cannière ludiek wordt afgeblust. Ruim 100 kunstenaars ‘plagieerden’ Van Giel en Tuymans en nu bulkt het hier aan alle muren van dat verzenuwde voorhoofd. Er is zelfs een video met een re-enactment van de zweetdruppels, met een pipet. De grimmigheid wordt omgebogen, de lof der zotheid wordt gezongen. Dat was nodig. Dat is altijd nodig, weet Oliver Sacks: „But there will be time, too, for some fun (and even some silliness, as well).”