Vaders, moeders, Chinezen

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Bettine Vriesekoop laat zien dat deChinese vrouw nog steeds worstelt met de op het confucianisme gebaseerde sekseverhoudingen. Foto Reuters

Hua Mulan was een legendarische ‘zwaardvrouw’, mogelijk uit de zesde of vijfde eeuw van onze jaartelling, die in oude Chinese balladen als heldin wordt vereerd. Een modernere versie van de krijgshaftige vrouw in de Chinese geschiedenis is de in 1907 onthoofde strijdster voor vrouwenrechten Qui Jin. Deze twee inspireerden Bettine Vriesekoop, voormalig correspondent van deze krant in China, tot Dochters van Mulan (1), een invoelende sociale reportage over de moeizame verhoudingen tussen de seksen in China. Daarmee wil zij in de voetsporen treden van de Amerikaanse romanschrijfster Pearl S. Buck die in de jaren dertig aanklachten schreef tegen, onder andere, de eeuwenoude martelpraktijk van het inbinden van vrouwenvoeten.

Vriesekoop slaagt erin Chinese meisjes en vrouwen uit diverse lagen van de bevolking aan het praten te krijgen over seksualiteit, huwelijk, prostitutie, plastische chirurgie en familiepolitiek. Zij laat zien dat de Chinese vrouw nog steeds worstelt met de op het confucianisme gebaseerde sekseverhoudingen. Er is voor- en achteruitgang: een voorhoede eist seksuele zelfbeschikking en emancipatie, maar vrouwen die als ontwortelde migranten in de steden belanden zijn slachtoffer van uitbuiting en prostitutie. Vriesekoop observeert onbevangen en schrijft genuanceerd, ook over haar persoonlijke indrukken. Die particuliere ervaringen zijn niet altijd even relevant, bijvoorbeeld als zij meldt dat ze voor het geven van gastcolleges in Tilburg zowel heen als terug met de trein reisde.

Hendrickje Spoor, dochter van de voormalige hoofdredacteur van NRC Handelsblad, André Spoor, schreef een onthullend en liefdevol verhaal over de verhouding tussen haar en haar vader. Behalve smakelijke roddels, zoals over Jérome Heldring en Rudy Kousbroek, twee ‘belabberde minnaars’ van Spoors ravissante tweede echtgenote en Hendrickjes moeder, biedt Vader en dochter (2) een fraai tijdsbeeld van de periode 1963-1999. Uit de talrijke brieven die ze wisselden en uit dagboekfragmenten van André Spoor blijkt hoe intens hun bijzondere relatie was. Als ze telefoneerden deden ze allebei hun best ‘zo gek en amusant en briljant mogelijk te zijn voor de ander’, herinnert Hendrickje zich. En André noteerde in zijn dagboek: „Er is iets in mijn liefde voor haar en haar betrokkenheid bij mij dat lijkt op de verhouding tussen Thomas Mann en zijn dochter Erika. Vandaar misschien dat alles wat ik er over lees of hoor me altijd zo ontroert.” André ontroerde Hendrickje ook. „My free daddy”, noemde ze de promiscue generaalszoon, die zowel bohémien als bourgeois wilde zijn en tot verdriet van zijn excentrieke dochter eindigde als brave huisvader.

„Vroeger begreep ik niet waarom ik op mijn vragen geen antwoord kreeg. Thans begrijp ik niet waarom ik vragen stelde, want er zijn immers geen antwoorden.” Dit citaat uit de beroemde Brief aan vader van Franz Kafka – nooit verzonden en niet bij leven van de schrijver gepubliceerd – siddert door alle literatuur van kinderen die over hun ouders schrijven. Het is een onuitputtelijke bron, getuige nu weer Hendrickje Spoor en ook Adriaan van Dis en Maarten ’t Hart over hun moeders. Maar alles wat over dit thema is geschreven, ja, zelfs door Kafka, verbleekt en lijkt welhaast futiel vergeleken met de nu herdrukte Brief aan mijn moeder van Ischa Meijer (1943-1995) (3). In haar voorwoord bij de heruitgave van dit ruim veertig jaar geleden voor het eerst verschenen document gebruikt Connie Palmen grote woorden: huiveringwekkend, heldhaftig, genadeloos, hartverscheurend, beklemmend, ontroerend, liefdevol. Geen van deze kwalificaties is overdreven, de woorden schieten eerder tekort. Je kunt alleen maar janken van ontzetting.

Nog een herdruk die niet aan de aandacht mag ontsnappen, minder zwaar en aangrijpend, maar in wezen even tragisch, is Oostende, de zomer van 1936 (4) door de Vlaamse journalist Mark Schaevers. In dat jaar hield een aantal uit Hitler-Duitsland gevluchte schrijvers tijdelijk verblijf in de Belgische badplaats. Als kwartiermaker fungeerde de enigszins in het vergeetboek geraakte Irmgard Keun die aan de kust de vrijheid zocht (haar romans werden in 1933 in Duitsland verboden, als een van de weinige ballingen in Oostende overleefde zij de Tweede Wereldoorlog). Zij had een verhouding met Joseph Roth en was bevriend met Hermann Kesten, Egon Erwin Kisch, Arthur Koestler, Ernst Toller, Stefan Zweig, Heinrich Mann – bijna het complete pantheon van wat in de literatuurgeschiedenis als het ‘Exil’ zal voortleven. De ballingen die tussen de raderen van de geschiedenis raakten, vormden het puikje van de Midden-Europese cultuur. Achter de anekdotes over geldgebrek, drank en overspel doemt de wanhoop op, door Schaevers onnadrukkelijk beschreven.